Overslaan en naar de inhoud gaan

Bonte sierloper Diachromus germanus

Foto: Theodoor Heijerman

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Diachromus [genus] (1/1)
germanus [soort]

Dagactief. De talrijkheid kan ook in Midden-Europa sterk wisselen van jaar tot jaar (Trautner 1988). Voortplanting in het voorjaar. Overwintering van november tot maart als imago, vooral in bosranden onder stenen en schors of in de losse aarde (Marggi 1992). De adulten zijn tenminste gedeeltelijk fytofaag en eten graszaden en pollen. De zaden worden verzameld en naar de bodem getransporteerd op een wijze die sterk doet denken aan het gedrag van Ditomus clypeatus, die ondergrondse voorraadkamers aanlegt waarin de eieren worden gedeponeerd (Schremmer 1960). Volgens Trautner et al. (1988) worden vooral de grassen veldbeemdgras (Poa trivialis) en gestreepte witbol (Holcus lanatus) zeer goed bezocht. De larve is onbekend.

Dispersie: macropteer. De vleugels zijn uitstekend ontwikkeld en er zijn steeds volledig ontwikkelde vliegspieren (Desender 1989a). Trautner et al. (1988) beschreef het vlieggedrag op warme namiddagen, waarbij hij vlak boven de vaak hoge grasvegetatie kan rondzwermen en vervolgens landt op de bloeiende aren.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.