Overslaan en naar de inhoud gaan

Ribbelkoppriemkever Bembidion assimile

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Bembidion [genus] (58/54)
assimile [soort]

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Bembidion [genus] (58/54)
assimile [soort]

Hygrofiel. Vooral aan oevers van eutrofe meren, poelen, en langzaam stromende rivieren, ook aan de zeekust (Lindroth 1974, 1985). Vooral op vochtige, kleiige of siltige bodem met een dichte begroeiing, volgens Horion (1937) ook op venige bodems. Aan de kust soms aangetroffen onder zeewier op de hogere delen van schorren. In uiterwaarden ook op zandige, modderige oevers van rivieren en poelen. Verder in moerassen, rietlanden en in leemgroeven, in rietstengels (Burmeister 1939, Luff 1998). In Zwitserland tot in het middelgebergte, maximaal tot 600 m (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: H2 (148 series, 22.523 individuen). De vangsten zijn verdeeld over hoogveen [1], natte bossen en nat struweel [21-23], niet te open oevers en recent drooggevallen gronden [27-31]. Eurytopie: 6 (PRES = 0,42 en SIM = 0,74). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Pterostichus strenuus 88,5% (20,9%), Pterostichus vernalis 87,2% (25,4%), Loricera pilicornis 77% (16,5%), Pterostichus niger 75,0% (17,2%), wederzijds > 50% Blemus discus 63,5% (63,4%), Stenolophus mixtus 63,5% (75,8%) en Agonum thoreyi 52% (82,8%).

 

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.