Overslaan en naar de inhoud gaan

Akkerpriemkever Bembidion obtusum

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Bembidion [genus] (58/54)
obtusum [soort]

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Bembidion [genus] (58/54)
obtusum [soort]

Op open of licht beschaduwde, matig vochtige, doorgaans vrij zware kleibodem, vaak op cultuurgronden (Lindroth 1974, 1985, Thiele 1977). In Midden-Europa van het laagland tot in het middelgebergte, in velden en aan oevers, zowel aan zoet als zout water, maar volgens Burmeister (1939) ook in bossen. Pollard (1968b) vond de soort in Engeland echter praktisch uitsluitend in het open veld en niet in heggen. In Ierland een dominante soort in velden met wintertarwe (Kennedy 1994). Volgens Marggi (1992) in Zwitserland tot de montane zone, 1600 m, vooral op vochtige bodem, waarvan hoogstens het bovenste laagje is uitgedroogd. Ook voor West-Europa wordt vooral zware, lemige cultuurgrond als biotoop opgegeven, vooral (aardappel)akkers.

Vangpotten. Groep: G3 (54 series, 574 individuen). De vangsten komen uit duinterreinen [7-10], akkers [13] en vochtige terreintypen [24-26, 28-31], niet uit bossen. De hoogste abundanties op ruderale plaatsen [24] en in jonge terreinen [31]. Dit sluit goed aan bij de in de literatuur vermelde voorkeur voor cultuurland, zoals akkers. Eurytopie: 5 (PRES = 0,42 en SIM = 0,59). Bodem: kalk. Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: geen.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.