Overslaan en naar de inhoud gaan

Duinpriemkever Bembidion pallidipenne

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Bembidion [genus] (58/54)

Halofiel of tenminste halotolerant, maar niet halobiont, ook wel aan meertjes of plassen in het binnenland aan zoet water. Over het algemeen aan zout of brak water aan de kust of in estuaria. Kenmerkend voor onbegroeide oevers met zeer fijn, los zand. Luff (1998) noemt het zelfs een soort van zoetwaterbronnetjes of -stroompjes, voorkomend op steriele zandstrandjes, vooral aan de kust, maar ook in het binnenland aan onbegroeide oevers van meren en in grind- of zandgroeves. Soms op plaatsen met een zeer ijle vegetatie (Lindroth 1974, 1985). Kan hoge zoutgehalten verdragen, tot 6% (Burmeister 1939). Bij schorren vaak onderaan afgekalfde steile kantjes bij slenken waar zich smalle zandstrandjes bevinden.

Vangpotten. Groep: H4 (16 series, 161 individuen). Alle vangsten uit één terreintype: zandbanken in zout water [31]. Eurytopie: 0 (PRES = 0,3 en SIM = 0), . Bodem: zand. Vocht: 5. Begeleiders:Calathus ambiguus 93,8% (5,3%), Dyschirius thoracicus 93,8% (11,6%), Calathus erratus 87,5% (2,2%), Calathus melanocephalus/cinctus 87,5% (1,6%), Calathus mollis 87,5% (8,9%),Dicheirotrichus gustavii 87,5% (10,0%), Dyschirius obscurus, 81,3% (32,5%), Amara fulva 75,0% (8,1%) en Bembidion argenteolum 75,0% (40,0%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.