Overslaan en naar de inhoud gaan

Gewone viervlekpriemkever Bembidion tetracolum

Foto: Dick Belgers

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Bembidion [genus] (58/54)
tetracolum [soort]

Zeer eurytoop, gematigd hygrofiel (Den Boer 1977, Luff et al. 1989). Gewoonlijk op open, vochtige kleibodem met een mozaïekvegetatie van grassen en kruiden, langs eutrofe oevers van rivieren in het binnenland en stroompjes in estuaria aan de kust, maar ook ver van water verwijderd (Lindroth 1974, 1985). Ook op beschaduwde plaatsen zoals in struweel, op open plekken in lichte bossen en in natte broekbossen (Thiele 1977). Met name op cultuurland, zoals akkers en weilanden. Vanaf het laagland tot in bergdalen, tot ca. 1600 m (Burmeister 1939). In diverse experimenten bleek de soort vrij ongevoelig ten aanzien van temperatuur (eurytherm) maar lichtschuw te zijn (Thiele 1977).

Vangpotten. Groep: EU(H) (293 series, 19.171 individuen). De habitat van deze soort omvat een brede range van terreintypen, met uitzondering van bepaalde duinterreinen [7-9] en naaldbossen [15-17]. Hij is ook slecht vertegenwoordigd in heiden [1-6] en de matig vochtige loofbossen [18-20]. Het optimum van deze soort licht klaarblijkelijk in de vochtige terreintypen, bij voorkeur op kleigronden, met een piek in de IJsselmeerpolders [29-30]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,76 en SIM = 0,69). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Loricera pilicornis 73,8% (31,4%) en wederzijds > 50% Anchomenus dorsalis 59,5% (55,6%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.