Overslaan en naar de inhoud gaan

Rietbontloper Acupalpus parvulus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Acupalpus [genus] (7/7)
parvulus [soort]

Hygrofiel. Op open, zongeëxponeerde of licht beschaduwde, meestal zandig-kleiige bodem, langs stilstaand of stromend water, op kale plekken tussen een rijke vegetatie met russen (Juncus), paardenstaarten (Equisetum) en zeggen (Carex) (Lindroth 1974, 1986). Soms, samen met A. flavicollis; volgens Luff (1998) vooral op vochtige, zure, venige bodem in de nabijheid van dichte begroeiing. Een soort van het laagland en het middelgebergte (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: H2 (116 series, 1.765 individuen). De vangsten komen vooral uit de rietlanden in de polders [27-28], vochtige, recent drooggevallen gronden [29-30] en oevers [32]. Minder waargenomen in uiteenlopende matig vochtige terreintypen met doorgaans een vrij dichte begroeiing, zoals heiden en graslanden [4, 21, 23-26]. Eurytopie: 6 (PRES = 0,55 en SIM = 0,69). Bodem: lemig zand. Vocht: 5. Begeleiders: Pterostichus strenuus 87,1% (16,1%), Loricera pilicornis 77,6% (13%) en Pterostichus vernalis 75,9% (17,4%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.