Overslaan en naar de inhoud gaan

Bruine snelloper Agonum piceum

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Agonum [genus] (20/18)
piceum [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Agonum [genus] (20/18)
piceum [soort]

Zeer hygrofiel. Volgens Marggi (1992) gedraagt de soort zich thermofiel in het noorden van het verspreidingsgebied. In Fennoscandië langs meren en traag stromende rivieren, op kleiige, modderige bodem met een weelderige vegetatie van zeggen (Carex), paardenstaarten (Equisetum), vlotgras (Glyceria) en dergelijke (Lindroth 1974, 1986). Hij heeft een voorkeur voor weinig beschaduwing, maar komt ook wel in de schaduw van struweel of verspreid staande boomgroepjes voor samen met A. thoreyi. Een soort van het laagland en het middelgebergte (Burmeister 1939). In Zwitserland praktisch uitsluitend in rietland. Marggi (1992) typeerde hem als een soort die direct leeft op de overgang van moeras naar water. Vaak in vegetatie of dood riet (Phragmites australis) dat op het water drijft, samen met soorten als Odacantha melanura, Oodes helopioides, A. thoreyi en Demetrias imperialis.

Vangpotten. Groep: Z(F) (4 series, 4 individuen). De vangsten komen uit vochtig naald- en eiken-berkenbos [17-18] en kruidenrijke graslanden [26]. Het betreft hier waarschijnlijk amper vangsten uit de reproductiebiotopen. Eurytopie: 3 (PRES = 0,09 en SIM = 0,53). Bodem en Vocht en Begeleiders: onvoldoende gegevens.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.