Overslaan en naar de inhoud gaan

Veenmossnelloper Agonum gracile

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Agonum [genus] (20/18)
gracile [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Agonum [genus] (20/18)
gracile [soort]

Zeer hygrofiel, sphagnofiel (Rabeler 1931). Een uitgesproken soort van de oevers van oligotrofe en dystrofe meren en poelen, tussen rijke vegetatie van onder andere zeggen (Carex), met een voorliefde voor venige bodem (Lindroth 1974, 1986). Vooral talrijk in (hoog)venen met veenmos (Sphagnum), in turfbodem en oude graspollen. Op de Britse Eilanden eveneens in ‘sphagnum bogs’ maar ook in vochtige, zure graslanden in het hoogland (Luff 1998). In Finland volgens Krogerus (1960) een belangrijke begeleidende soort in oligotrofe vennen. Veel minder algemeen in eutrofe milieus. Een soort van het laagland en middelgebergte, hij bereikt zelden de subalpiene zone, de maximaal bereikte hoogte is ca. 1500 m (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: D1 (15 series, 28 individuen). De vangsten komen uit uiteenlopende moerassige en natte terreintypen, maar vooral van hoogveen [1] en van natte bossen en struweel [18, 21, 23]. Het vrij lage aantal vangsten geeft waarschijnlijk een incompleet beeld van de oecologie. Eurytopie: 4 (PRES = 0,24 en SIM = 0,61). Bodem: (hoog)veen. Vocht: geen voorkeur. Begeleider: alleen Pterostichus niger 80% (1,9%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.