Overslaan en naar de inhoud gaan

Moerassnelloper Agonum fuliginosum

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Agonum [genus] (20/18)

Hygrofiel, donker- en koudepreferent (Wasner 1977). Veel auteurs benadrukten de binding aan schaduw en zoet water, in combinatie met een rijke strooisellaag. De soort komt in Noord-Europa voor op verschillende soorten vochtige en beschaduwde bodems, vooral in moerasbossen, zoals elzenbroekbos (Lindroth 1974, 1986). Ook aan de oevers van eutrofe meren en in laagveenmoerassen, vaak in gezelschap van A. thoreyi. Minder frequent in oligotrofe moerassen. In het uitgebreide overzicht dat Thiele (1977) gaf voor West- en Midden-Europese bossen, heeft ook deze soort een duidelijke piek in broekbossen. Vanaf het laagland tot in de bergdalen, tot ca. 1200 m (Burmeister 1939). In Midden-Europa eveneens aan oevers in moerassige rietgordels, op schaduwrijke plekken, en het zwaartepunt in broekbos (Marggi 1992). In de Jura op venige bodem, diep onder plantaardig materiaal. Blijkens de proeven van Wasner (1977) is deze soort slechter bestand tegen uitdroging dan A. thoreyi en prefereert hij donkerder en koudere plaatsen. Vaak in gezelschap van andere Agonum (Europhilus)-soorten.

Vangpotten. Groep: EU(F) (168 series, 690 individuen). De vangsten komen van uiteenlopende beschaduwde of vegetatierijke terreintypen: heiden [1-2, 4-5], weilanden [12], zowel drogere als natte bossen [16-19, 21-23] en polders [27-28, 30]. Niet in te open of te droge terreinen [6-9, 11, 13, 15, 31-33]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,67 en SIM = 0,88). Bodem: geen voorkeur. Vocht: 4. Begeleiders: Pterostichus niger 84,6% (22,2%), Pterostichus nigrita/rhaeticus 75,7% (29,6%) en Loricera pilicornis 74% (18,1%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.