Overslaan en naar de inhoud gaan

Glanzende snelloper Agonum emarginatum

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Agonum [genus] (20/18)

Oeverbewoner. Volgens Lindroth (1986) stenotoper dan A. viduum, hetgeen voor ons gebied niet opgaat (zie onder ‘vangpotten’). In Fennoscandië een soort van beschaduwde plekken op kleiige, modderige oevers van eutrofe meren of poelen, tussen het riet. In het laagland van Midden-Europa meer in moerassig loofbos met elzen (Alnus glutinosa) en een dichte begroeiing van zeggen (Carex) en bitterzoet (Solanum dulcamara), maar eveneens talrijk aan eutrofe poelen langs de Nederrijn (Jarmer 1973). Algemeen in het heuvelland en het montane gebied, maar in de bergdalen minder hoog dan A. viduum, zelden tot subalpien, maximaal 1600 m (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Zie onder ‘Taxonomie’ en bij Schmidt (1994). Groep: G4 (112 series, 1.195 individuen). Eurytoper dan de zustersoort A. viduum, en er zijn nog geen aanwijzingen dat dit komt doordat het materiaal van A. afrum ‘vervuild’ zou zijn met waarnemingen van A. duftschmidi. De vangsten komen uit een groot aantal terreintypen, waar telkens sprake is van tenminste enige begroeiing. De zeer open en puur zandige terreinen worden vermeden, zoals duinen en cultuurland [7-15] en open oevers [32-33]. De hoogste scores worden gevonden in de natte bossen en nat struweel [21-23] en in rietlanden en jonge vochtige terreinen [27-30]. Eurytopie: 7 (PRES = 0,61 en SIM = 0,8). Bodem: geen voorkeur. Vocht: 4. Begeleiders: Pterostichus strenuus 83,9% (15%), Pterostichus nigrita/(rhaeticus?) 79,5% (20,6%) en Loricera pilicornis 73,2% (11,9%).