Overslaan en naar de inhoud gaan

Zespuntsnelloper Agonum sexpunctatum

Foto: Henk van Woerden

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Agonum [genus] (20/18)

Eurytoop, heliofiel. Op open, vochtige zongeëxponeerde plekjes. Langs kleine plasjes, vooral in heiden en minder in grasland, op zandige of soms licht lemige bodem, maar ook veenbodem, met een goed ontwikkelde moslaag of met veenmos (Sphagnum) en meestal een mozaïekbegroeiing van grassen of zeggen (Carex) (Lindroth 1974, 1986). De soort komt in de bergen tot maximaal 1800 m voor (Burmeister 1939). Niet op intensief bewerkte landbouwgronden (Marggi 1992), maar wel op vochtige graslanden.

Vangpotten. Groep: A1 (152 series, 947 individuen). De vangsten komen vooral uit de heiden [1-6], cultuurlanden [12-15] en met name braaklanden [14], vochtige bossen en struweel [16-17, 21, 23], gras- en rietlanden en drooggevallen gronden [26-31]. Hij mijdt vooral de duinen [7-12], dichte bossen [16, 19-20] maar kennelijk ook kwelders en rivieroevers [32-33]. Eurytopie: 7 (PRES = 0,64 en SIM = 0,8). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Pterostichus niger 83,1% (19,9%), Poecilus versicolor 81,8% (24,5%), Loricera pilicornis 75,3% (16,8%), Pterostichus nigrita/rhaeticus 72,7% (25,9%) en Calathus melanocephalus/cinctus 72,1% (12,6%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.