Overslaan en naar de inhoud gaan

Kleine heideglimmer Amara infima

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Amara [genus] (37/36)
infima [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Amara [genus] (37/36)
infima [soort]

Nachtactief. A. infima is evenals Bembidion nigricorne en Bradycellus ruficollis een uitgesproken winteractieve soort. Mannetjes met uitgestoken genitaliën werden gevangen in november en december (PB). De voortplanting vindt plaats in de zeer late herfst en het vroege voorjaar, van half oktober tot in januari (Burmeister 1939, Den Boer 1977, Lindroth 1986). De larven ontwikkelen zich in de winter en het voorjaar en ‘verse’ dieren komen in de late zomer te voorschijn, van eind juli tot in september-oktober. De oude imago’s gaan aan het begin van de zomer in de bodem in diapauze en nemen deels voor de tweede of derde keer aan de reproductie deel. De dieren kunnen dus zeker drie jaar oud worden. De volwassen dieren zijn tenminste ten dele fytofaag en klimmen in onder andere schijnspurrie (Spergula) voor de zaden (Schjøtz-Christensen 1957). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: de enige brachyptere Amara-soort in onze streken; Desender (1989a) controleerde 468 dieren, die alle slechts kleine vleugelrudimenten bezaten. Volgens Lindroth (1945), Bangsholt (1983) en Luff (1998) is hij dimorf en Bangsholt noemde een percentage van 11,5% macroptere voor Denemarken. Lindroth zag één dier met volledige vleugels. Vliegwaarnemingen zijn niet bekend. Niet in de polders aangetroffen.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.