Overslaan en naar de inhoud gaan

Amara quenseli

Indeling

Amara [genus]
(37 soorten in totaal / 36 gevestigd)
quenseli [soort] (1/1)

Indeling

Amara [genus]
(37 soorten in totaal / 36 gevestigd)
quenseli [soort] (1/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieCarabidae. In: Catalogus van de Nederlandse kevers (Coleoptera)
ExpertTurin, H.

Areaal

Circumpolaire soort (Lindroth 1986). In Europa staat de ondersoort A. quenseli quenseli bekend als boreoalpien en komt voor in IJsland, Fennoscandië, de Schotse Hooglanden (en Rhum) (Luff 1998) en alpien in Midden-Europa (Burmeister 1939, Jeannel 1941-1942, Lindroth 1986, Mandl 1978). De bij ons voorkomende laaglandvorm A. quenseli silvicola, komt voor van Zuid-Fennoscandië, zuidelijk tot België, Zuid-Duitsland en Moravië (Lindroth 1945), maar overbrugt voor zover bekend niet het gebied tussen de noordelijke en Midden-Europese berglandpopulaties van de vorm quenseli in de Pyreneeën, Alpen, Karpaten en gebergten op de Balkan. Naar het oosten tot de Kaukasus, door Siberië tot Kamtsjatka, in Mongolië en het noorden van Japan (Hieke & Wrase 1988). Hieke noemde hem arctoalpien. Volgens Lindroth (1986) komen beide vormen ook in Noord-Amerika voor. Areaalkarakteristiek: 7, Nederland: submarginaal.

Verspreiding in Nederland

In Nederland vooral op zandgronden, zeldzaam, voor zover bekend alleen de ondersoort silvicola (nagenoeg alle materiaal is gecontroleerd door KA, FH, TG). Op enkele oude vangsten van de Waddeneilanden na, zijn bij ons geen waarnemingen uit de duinen aan de kust bekend. Op de Britse Eilanden alleen de ondersoort quenseli, beperkt tot de Schotse Hooglanden (Luff 1998), aldaar voorkomend op spaarzaam begroeide, zandige plaatsen zoals (rivier)duinen en wegbermen. In Denemarken de ondersoort silvicola (Bangsholt 1983). In Fennoscandië overwegend de typische vorm quenseli in het noorden op de ‘fjelds’ en zelfs tot in de toendra; in de duinen aan de zuidkust alleen silvicola (Lindroth 1945, 1986). In Duitsland volgens Horion (1941) alleen silvicola, in hoofdzaak in de heide- en duingebieden van Noord-Duitsland. Voor de omgeving van Berlijn op de Rode Lijst (Barndt et al. 1991). In de Midden-Europese Alpen wordt de typische vorm nagenoeg niet beneden de 2000 m aangetroffen, in Zwitserland tussen 2150 en 2750 m, maximaal tot 3250 m hoog (Marggi 1992). Ook op de Balkan (Durmitor, Rhila, Pirin) tussen 2150 en 2900 m (Hieke & Wrase 1988). In België, waar naar alle waarschijnlijkheid de zuidgrens van silvicola ligt, ook niet aan de kust, maar alleen in het noorden, merendeels oude waarnemingen (Desender 1986). In Vlaanderen als bedreigd op de Rode Lijst (Desender et al. 1995).

Status: in Nederland en Denemarken is het aantal vindplaatsen vrij stabiel, in België achteruitgegaan (Desender & Turin 1986, 1989).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.