Overslaan en naar de inhoud gaan

Bronzen glimmer Amara aenea

Foto: Bas van Hulst-Kuiper

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Amara [genus] (37/36)
aenea [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Amara [genus] (37/36)
aenea [soort]

Dagactief, volgens Burmeister vooral in het voorjaar ook vliegend bij zonnig weer. De kever is al vroeg in het jaar actief en kan bij zonnig weer in maart en april al worden aangetroffen. Voortplanting in het voorjaar, in mei-juni. ‘Verse’ dieren in de herfst. De overwintering vindt plaats als imago, in graspollen en aan de voet van bomen of in de bodem (Marggi 1992). Polyfaag, het voedsel van de larve bestaat volgens Burmeister (1939) uit wormen en insectenlarven. De adulten knagen aan graszaden en kunnen zelfs schadelijk zijn in wintergranen (Lindroth 1986). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. De soort vertoont periodieke vliegspierautolyse (Desender 1989a). Talrijke vliegwaarnemingen zijn bekend, waarbij we voor Drenthe de aantallen per halve maand geven: maart 0/5, april 79/169, mei 315/117, juni 20/13, juli 26/6, augustus 50/55, september 70/89 en oktober 68/7 (TVH). De verdeling van deze vliegwaarnemingen, in combinatie met de vangsten van deze soort in bossen en het periodiek optreden van volledig ontwikkelde vliegspieren, doet vermoeden dat ook deze soort een seizoensgebonden biotoopwisseling kent die sterk lijkt op die van A. communis (zie daar) (Desender 1989a). De soort koloniseerde met succes de IJsselmeerpolders, maar behoorde, uitgezonderd een vangst in een raamval in 1969, niet tot de vroege kolonisten (Haeck 1971). Hieke (1990b) presenteert een kaart waarin de uitbreiding in Noord-Amerika vanaf het oosten (rond 1900 Newfoundland, Nova Scotia) in beeld wordt gebracht. De door Lindroth (1954, 1955) vermelde hoge dichtheden van de soort in deze gebieden, versterken de aanname dat dit de kolonisatiehaard is van waaruit ook het Amerikaanse continent is gekoloniseerd. De kaart illustreert de enorme uitbreidingskracht van deze soort. Vanaf ongeveer 1950 zijn er ook vestigingen aan de westkust waargenomen. 

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.