Overslaan en naar de inhoud gaan

Duinslakkenkraker Licinus depressus

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Licinus [genus] (1/1)
depressus [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Licinus [genus] (1/1)
depressus [soort]

Gematigd xero-thermofiel. In het noorden op droge, zandige of grindachtige bodem, over het algemeen met een bijmenging van kalk of klei (Lindroth 1974, 1986). Vooral op licht beschaduwde plekken in open graslandvegetaties. In het Rheinland in overeenkomstige terreintypen (Nagel 1975). De voorkeur die Barndt (1981) veronderstelt voor vochtige tot natte bossen, wijkt hiervan af, maar ook Luff (1998) noemt bossen, evenals kalk- en grindgroeven. In Midden-Europa in het heuvelland, maar vooral in het montane tot subalpiene gebied. In Oostenrijk en Zwitserland tot ca. 2000 m (Burmeister 1939, Franz 1970). In Zwitserland bij voorkeur op kalkbodem in open, droog terrein met een goede natuurlijke drainage, zelden op zand of grind (Marggi 1992). Marggi vermeldde met nadruk dat de soort in Zwitserland nooit gevangen is in bosachtige omgeving.

Vangpotten. Niet gevangen.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.