Overslaan en naar de inhoud gaan

Schijfboogkever Blemus discus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Blemus [genus] (1/1)
discus [soort]

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Blemus [genus] (1/1)
discus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieCarabidae. In: Catalogus van de Nederlandse kevers (Coleoptera)
ExpertTurin, H.

Areaal

Palearctische soort. In Europa, behalve in het zuiden en het noorden. Naar het oosten tot Macedonië en via Rusland en Noord-Azië tot Japan (Burmeister 1939). Geïntroduceerd in Noord-Amerika. Areaalkarakteristiek: 3, Nederland: subcentraal.

Verspreiding in Nederland

In Nederland vooral op kleigronden, met name in de IJsselmeerpolders. Op de Britse Eilanden verspreid met plaatselijke populaties over een groot deel van Engeland en Wales; zeer plaatselijk in Ierland (Luff 1998). Hyman (1992) zette de soort voor Groot-Brittannië op de waarschuwingslijst. In Denemarken verspreid in Oost-Jutland en op de eilanden (Bangsholt 1983). In Fennoscandië gelijkmatig verbreid langs de zuidwestkust van Zweden en verspreid in het binnenland tot 61° noorderbreedte. In Noorwegen zeldzaam en verspreid tot 64° noorderbreedte, in Finland alleen in het uiterste zuiden, zeldzaam (Lindroth 1945, 1985). In Duitsland zeer verspreid, maar uiterst zeldzaam (Horion 1941). In de omgeving van Berlijn (Barndt et al. 1991) en in Baden-Württemberg (Trautner 1992b) staat hij op de Rode Lijst. In Zwitserland zeer verbreid in het gebied tussen Genève en de Bodensee, inclusief de Jura, in Wallis en Tessin (Marggi 1992). In België alleen verbreid in het westen (Desender 1986).

Status: deze over het gehele areaal als zeldzaam bekend staande soort laat in Noordwest-Europa twee tegenstrijdige beelden zien. In Denemarken en op de Britse Eilanden enigszins achteruitgegaan, maar in Nederland echter gedurende de laatste decennia duidelijk meer waargenomen dan voor 1950. De soort heeft na de drooglegging van met name Zuidelijk Flevoland in 1967 een ongekende bloei vertoond. Vóór 1950 was hij slechts in vijf UTM-hokken in Nederland waargenomen (Zie o.a. Turin & Peters 1986) (fig. 52, blz. 60). De eerste uitbreiding vond plaats in de jaren vijftig, na de drooglegging van Oostelijk Flevoland. Door nog niet geheel bekende oorzaken werd B. discus een van de meest algemene soorten op de uitgestrekte akkers die kort na de drooglegging werden aangelegd. Dit was nog sterker het geval op de akkers in Zuidelijk Flevoland, terwijl in dezelfde periode ook het aantal waarnemingen in de rest van Nederland sterk toenam, met name in Midden- en West-Nederland. Rudolph (1976) meldde nog geen toename in Westfalen. In België heeft zich eveneens na 1950 een lichte toename voorgedaan, die mede kan berusten op het ‘overflow-effect’ uit de Nederlandse polders. Het bij tijd en wijle massale optreden van de soort, bijvoorbeeld na overstromingen, wordt ook voor andere gebieden in Europa genoemd, zoals in Zwitserland (Marggi 1992).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.