Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote bombardeerkever Brachinus crepitans

Foto: Theodoor Heijerman

Indeling

Brachininae [subfamilie]
Brachinus [genus] (2/1)
crepitans [soort]

Nachtactief volgens Thiele (1977), maar Marggi noemde hem ‘heliofiel’ hetgeen op dagactiviteit wijst. De soort wordt bijna altijd in grote aantallen gevonden, met name in de winter en in onze streken uitsluitend in het gezelschap van eveneens talrijke exemplaren van Anchomenus dorsalis. Lindroth (1949) heeft getracht een parasiet-gastheerrelatie met A. dorsalis aan te tonen door o.a. het aanbieden van eieren en larven aan B. crepitans, echter zonder enig resultaat. De pop van A. dorsalis komt te laat in het jaar voor om als voedsel in aanmerking te komen. De voortplanting vindt plaats in het voorjaar met volgens Lindroth (1986) de ovipositie in juni en de eerste larven in juli. De overwintering vindt plaats als imago. Burmeister (1939) schetst voor Midden-Europa een ander beeld met ‘verse’ dieren al vanaf juni. Larven zijn gevonden in onderaardse gangen, ze leven als ectoparasiet op de poppen van andere Coleoptera, met name watertorren (Hydrophilidae) en kortschildkevers (Staphylinidae), en wellicht ook op die van andere loopkevers (o.a. Luff 1998). Evenals de overige Brachininae, beschikt hij over een gecompliceerd en hoog ontwikkeld, chemisch afweermechanisme (zie blz. 65 voor nadere informatie). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. De vleugels zijn volledig ontwikkeld en de soort vliegt goed (Luff 1998); uit de literatuur zijn ook directe vliegwaarnemingen bekend.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.