Overslaan en naar de inhoud gaan

Gewone tandklauw Calathus fuscipes

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Calathus [genus] (8/8)
fuscipes [soort]

Xero-thermofiel, zeer eurytoop. In experimenten bleek de soort lichtschuw en eurytherm (Thiele 1977). In hoofdzaak op open terreinen met een zandige of enigszins kleiige bodem, vaak met enige bijmenging van humus, maar ook in lichte bossen (Lindroth 1974, 1986). Hij wordt in alle publicaties genoemd als een kenmerkende soort voor lichte cultuurterreinen op niet te zware, goed drogende bodems, inclusief tuinen en parken. Volgens Larsson (1939) mijdt hij lage vegetaties met een dichte structuur. De soort komt voor van het laagland tot hoog in de bergen, tot 2300 m, ook daar vooral op open terreinen (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: EU(B) (575 series, 23.387 individuen). De vangsten komen uit alle denkbare, niet te natte terreintypen. Niet in hoogvenen en polders [1,27-29]. Het meest talrijk in vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens), duingebieden [6-11] en in cultuurlanden, zowel in weilanden en akkers als bosaanplant [12-15]. Iets minder, maar wel frequent, aangetroffen op heideterreinen [2-5], ruderale terreinen, graslanden en open zandbanken [23-26, 31]. Ook in bossen van uiteenlopende typen [16-22]. Eurytopie: 9 (PRES = 0,88 en SIM = 0,92). Bodem en Vocht: geen duidelijke voorkeur. Begeleiders: beide wederzijds > 50% Calathus melanocephalus 80,8% (53,3%) en Calathus erratus 60,8% (56,4%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.