Overslaan en naar de inhoud gaan

Zandgrootoogkever Asaphidion pallipes

Foto: Tim Faasen

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Asaphidion [genus] (5/4)
pallipes [soort]

Hygrofiel volgens Mandl (1978). Op open fijn zand of ‘silt’, op open bodem met een ijle vegetatie, vaak met mosplekken (Lindroth 1974, 1985), volgens Luff (1998) op de Britse Eilanden meestal in de nabijheid van rivieren, in zandgroeves of aan de kust. In Midden- en Noord-Fennoscandië eveneens vooral langs rivieroevers, in het zuiden aan de zeekust, maar ook in leemgroeven en op braaklanden (Lindroth 1974, 1985). Ook Burmeister (1939) noemde vochtig zand aan oevers. Marggi (1992) gaf voor Zwitserland op dat hij voorkomt van het heuvelland tot in het montane gebied, met als uitzondering een subalpiene vangst op 1800 m. Ook daar aan brede zandoevers van rivieren en meren, vooral op plekken waar enig leem in de bodem aanwezig is. Komt ook voor op erosieplekken en aardverschuivingen, vaak samen met Bledius-soorten. Enigszins afwijkend is de habitatbeschrijving van Desender et al. (1995), met droge schrale graslanden en kalkgraslanden, op vochtige zandbodem met bijmenging van leem.

Vangpotten. Groep: F1 (20 series, 59 individuen). De vangsten komen vooral van vochtig-ruderaal struweel, graslanden [23-26] en vochtige drooggevallen gronden [30-31], en merkwaardig genoeg van twee vrij droge heiden [4 en 6]. Eurytopie: 5 (PRES = 0,24 en SIM = 0,77). Bodem: kalk. Vocht: droog tot vochtig, maar ook op natte plaatsen. Begeleiders: Anchomenus dorsalis 80% (5,1%), Harpalus affinis 80% (4,6%), Bembidion lampros 75% (3,6%), Loricera pilicornis 75% (2,2%), Agonum sexpunctatum 70% (9,1%), Anisodactylus binotatus 70% (6,0%), Bembidion tetracolum 70% (4,8%) en Pterostichus nigrita 70% (3,2%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.