Overslaan en naar de inhoud gaan

Akkergrootoogkever Asaphidion flavipes

Foto: Dick Belgers

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Asaphidion [genus] (5/4)
flavipes [soort]

Dagactief. Bij vergelijking van de oogmorfologie van drie Asaphidion-soorten (Bauer et al. 1998) bleek A. flavipes over het kleinste aantal ommatidia per oppervlakte te beschikken en qua relatieve oogoppervlak een intermediaire positie in te nemen. Gezien de verschillen in habitat, past dit in het beeld dat voor A. curtum en A. stierlini werd verkregen (zie aldaar). Voortplanting bij ons waarschijnlijk geheel in het voorjaar, met ‘verse’ dieren in de vroege herfst (Muilwijk & Heijerman 1991). Ook Lindroth (1985) noemde het een voorjaarsvoortplanter en Bauer (1971) zei dat de eieren direct in de vochtige bodem worden gelegd. De overwintering vindt plaats als imago in graszoden (Marggi 1992). Volgens Burmeister (1939) ontwikkelt de larve zich in onderaardse gangen, van het najaar tot mei van het volgend jaar en vindt de verpopping plaats in juni. Hij gaf aan dat naast de larven ook adulte dieren overwinteren. De larve is opgenomen in de tabel van Luff (1993). Het voedsel bestaat voor een belangrijk deel uit springstaarten (Collembola).

Dispersie: onder de naam A. flavipes staat de soort bekend als macropteer. Dit betekent dat zowel van A. flavipes als A. curtum geen brachyptere exemplaren zouden zijn aangetroffen. Desender (1989a) mat echter grote verschillen in relatieve vleugellengte, maar merkte op dat deze verschillen zelfs binnen een populatie kunnen voorkomen. Uit het feit dat een aanzienlijk deel van de Belgische dieren uit bossen komt en over relatief kleine vleugels beschikt, kan worden afgeleid dat het hier voornamelijk A. curtum betrof. Ook in deze bossen kwamen echter nog exemplaren met volledig ontwikkelde vliegspieren voor. Voor dieren die in een weide gevangen waren, lagen de relatieve vleugellengtes nog lager en ontbraken goede vliegspieren praktisch geheel. Overigens werden vele exemplaren met zeer goede vleugels en vliegspieren tijdens hun vlucht verzameld. Het is niet bekend of het hier voornamelijk om één van beide soorten gaat. Desender concludeerde voorlopig dat het hier om een soort gaat die op weg is naar vleugelpolymorfie. Dit is een stelling die misschien niet houdbaar zal blijken, als van dit materiaal de soorten worden gescheiden. Eveneens onder de naam A. flavipes staan de dieren uit deze groep geregistreerd als vroege immigranten in de IJsselmeerpolders. Blijkens recente vangpotgegevens van K. Booij (zie: Muilwijk & Heijerman 1991) behoorden de dieren van akkers in Zuidelijk Flevoland alle tot A. flavipes.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.