Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote zwartschild Pterostichus niger

Foto: Hans Jonkman

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Pterostichus [genus] (19/18)
niger [soort]

Eurytope soort, mesofiel-hygrofiel. Vooral talrijk in allerhande niet te open terreintypen, met name (loof)bossen, kapvlakten en hoge kruidenvegetaties, op vrij vochtige bodem. Ook in heggen, tuinen en parken, maar minder in cultuurweiden en akkers (Lindroth 1974, 1985, Luff et al. 1989, 1992). Enigszins afwijkend is de opgave van Schjøtz-Christensen (1965), die hem voor Denemarken vermelde als soort van droge schrale graslanden en vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens). In de omgeving van Berlijn vooral in bossen, maar ook in vochtige open terreintypen (Barndt et al. 1991). In West-Duitsland dominant in heggen (Gersdorf 1965). In Midden-Europa vanaf het laagland tot subalpien, boven 2000 m meestal in bossen of op andere schaduwrijke plaatsen (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: EU(G) (641 series, 23.117 individuen). De vangsten beslaan een zeer breed oecologisch traject. Alleen de meest open terreinen, zoals de zeeduinen [7], worden geheel gemeden. De hoogste aantallen vangsten in bossen en andere matig tot zeer vochtige terreinen, inclusief het rietland in de polders [15-32]. In de heiden, inclusief vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens) [1-6] vaak present, echter relatief weinig talrijk. Eurytopie: 9 (PRES = 0,88 en SIM = 0,91). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: alle wederzijds > 50% Loricera pilicornis 58,9% (54,9%), Poecilus versicolor 53,1% (66,5%), Pterostichus nigrita/(rhaeticus) 52,6% (78,5%) en Pterostichus diligens 50% (75,9%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.