Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote zwartschild Pterostichus niger

Foto: Hans Jonkman

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Pterostichus [genus] (19/18)
niger [soort]

Nachtactief. Voortplanting in de zomer, in de periode half juli tot eind augustus. In Denemarken en Rusland werd door Jørum (1980) en Sharova & Denisova (1997) een tweejarige ontwikkeling vastgesteld, vermoedelijk veroorzaakt door de relatief koude winters en koele lentes in de onderzoeksperiode. De reproductie vond in het Deense beukenbos vooral plaats in juni-juli en de activiteitstop lag in de eerste helft van augustus, veroorzaakt door de verse adulten uit de reproductie van het vorige jaar. In Drenthe werden mannetjes met uitgestoken genitaliën gevonden in de periode juni-augustus (PB). De larven overwinteren en ontwikkelen zich tot het voorjaar. Ze hebben een grote koudetolerantie en zijn bij -1°c nog actief aan het bodemoppervlak gedurende een groot deel van de winter (Weber 1965). De poprust duurt van ca. juni tot augustus. Vroege dieren zijn na twee tot drie weken seksueel rijp en kunnen hetzelfde jaar nog reproduceren, maar de jonge dieren die laat uit de pop zijn gekomen, overwinteren samen met de oude adulten (van het tweede jaar en ouder) en larven, en reproduceren in de volgende zomer (Witzke 1976, Sharova & Denisova 1997). De ontwikkeling van ei tot imago kan ca. 280 dagen duren (Marggi 1992). Imago’s kunnen derhalve het gehele jaar door worden aangetroffen. Een uitsluitend carnivore soort, die vooral leeft van insectenlarven. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. De vleugels zijn licht gereduceerd en de vliegspieren niet functioneel (Desender 1989a). In zuidelijke streken bleken de vleugels amper de lengte van de dekschilden te halen (Jeannel 1941-1942) terwijl Lindroth (1945) veronderstelde dat de soort in Scandinavië tot vliegen in staat zou moeten zijn, gaf hij echter geen vliegwaarnemingen. De enige bevestiging voor vlieggedrag komt uit Hongaarse lichtvallen (Kádár & Szél 1995). In de IJsselmeerpolders al zeer vroeg aanwezig (Haeck 1971) en daar nog steeds dominant in akkerranden (Siepel et al. 1996). Een zeer goede loper die een snelheid kan halen van ca. 16 cm per seconde (Thiele 1977). Bij een loopexperiment in rietland in Zuidelijk Flevoland, werd de hoogste activiteit gemeten bij ca. 18°c, met een gemiddelde verplaatsing van 3,1-3,7 m per dag (Schoones 1973).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.