Overslaan en naar de inhoud gaan

Bronzen boszwartschild Pterostichus oblongopunctatus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Pterostichus [genus] (19/18)

Eurytope en dominante bossoort (Den Boer 1977, Lauterbach 1964, Thiele 1977, Turin & Heijerman 1988). Op verschillende bodemsoorten, maar een voorkeur voor de wat drogere, matig vochtige en lichtere bostypen, zowel naald- als loofbos, alleen Hyman (1992) noemde hem speciaal voor loofbos). Ook in vochtige bostypen, vaak te vinden achter schors. In meer atlantische gebieden, zoals West-Noorwegen, komt hij ook in open terreintypen voor (Lindroth 1974, 1985). In mindere mate is dit ook het geval in continentaal Midden-Europa, bijvoorbeeld in heide- en veengebieden. Van het laagland tot montaan, tot ongeveer 1600, maximaal 2000 m in bergdalen, in de bergen zelden tot de boomgrens en zeker niet daarboven (Burmeister 1939, Marggi 1992). Paarmann (1966) onderzocht de oorzaken van de praktisch volledige oecologische uitsluiting die tussen P. oblongopunctatus en zijn zustersoort P. quadrifoveolatus blijkt te bestaan. Hij kwam tot de conclusie dat concurrentie geen doorslaggevende rol speelt, maar eerder hun grote fysiologische verschillen en daarmee gepaard gaande verschillende habitat. P. oblongopunctatus mijdt over het algemeen te droge en te open vlakten en is veel minder resistent tegen uitdroging. De voorkeurstemperatuur van de larven ligt op 18-19°c en de tolerantiegrens op ca. 30°c, bij P. quadrifoveolatus is dit ca. 3 tot 4 graden hoger. Den Boer et al. (1993) gaan in op de oecologische verschillen tussen twee onderscheiden vormen binnen de soort: 1) individuen met 4-5 stippen op de dekschilden in een ietwat slingerende rij (low-pitters) en 2) individuen met 6-8 stippen in een rechte rij (high-pitters). De twee vormen komen door elkaar voor, maar de frequenties verschillen; in droge bossen is het aandeel high-pitters lager dan in vochtige bossen. De frequenties van jaar tot jaar bleken bovendien duidelijk gecorreleerd te zijn met de hoeveelheid neerslag in de periode mei-augustus, de ontwikkelingsperiode van de larven. De auteurs veronderstellen een voordeel voor high-pitters bij relatief natte omstandigheden tijdens de ontwikkeling. Vergelijking van de frequenties in populaties uit Drenthe (onderzoeksgebied op zandgrond), Polen (relatief droger) en Beieren (vergelijkbaar met Drenthe, maar op zware leem), bleken de veronderstellingen te onderschrijven. Het is opmerkelijk dat de ‘droge’ zustersoort P. quadrifoveolatus drie stippen per dekschild heeft. Verdere verschillen zijn onder de besprekingen van de biologie van beide soorten opgenomen. Aan de rand van kapvlakten in bossen kunnen beide soorten soms samen worden aangetroffen (Bruggenkamp 1982). Paje & Mossakowski (1984) vonden een reeks van tegenstrijdige waarden bij een experimenteel onderzoek met behulp van een zuurorgel naar voorkeur voor ph-waarden in een range van 3,3-7,7. Voor P. quadrifoveolatus werd wel een duidelijke voorkeur gevonden.

Vangpotten. Groep: D2 (374 series, 46.040 individuen). Niet gevangen in de duinen en op schraal grasland [7-11], ook niet in hoogveen, rietland, polders en op oevers [1, 27-33]. De hoogste dichtheden in de echte bossen [17-19, maar duidelijk minder in het eiken-haagbeukenbos en zeer nat bos en struweel [20-23]. Marginaal ook in heideachtige terreintypen [5-6] en kruidenrijke graslanden [25-26]. Eurytopie: 7 (PRES = 0,64 en SIM = 0,85). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: alle wederzijds > 50% Notiophilus biguttatus 73,6% (62,2%), Carabus nemoralis 66,5% (73,8%), Carabus problematicus 61% (62,5%), Abax parallelepipedus 52,6% (71,5%) en Calathus rotundicollis 50% (82,3%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.