Overslaan en naar de inhoud gaan

Moeraszwartschild Pterostichus minor

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Pterostichus [genus] (19/18)
minor [soort]

Hygrofiel en vrij eurytoop. In allerhande natte terreintypen, zowel op open als door bomen beschaduwde plaatsen, meestal met een vrij rijke vegetatie. Vooral in de oeverzone van eutrofe meren, in moerasbossen, hoogvenen en natte heidegebieden, op uiteenlopende bodemtypen (Lindroth 1974, 1986). In Midden-Europa vanaf het laagland tot montaan, tot ca. 1200 m, daar meer een oeversoort dan in West- en Noord-Europa (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: A1 (120 series, 963 individuen). Voor een soort van natte terreinen, goed vertegenwoordigd in het vangpotmateriaal, echter zelden in hoge aantallen gevangen. Hij mijdt te zandige onbegroeide terreintypen, zoals duinen [7-9], schrale graslanden [11] en open oevers [31-33]. Ook niet in de zeer donkere bossen [20]. De hoogste vangsten vinden we in hoogvenen, vochtige heiden [1-3] en natte bossen en struweel [21-23]. Ook goed vertegenwoordigd in instabiele, ruderale terreinen [24] en op drooggevallen jonge gronden [28, 30]. Eurytopie: 7 (PRES = 0,64 en SIM = 0,70). Bodem: geen voorkeur. Vocht: 4. Begeleiders: P. nigrita 77,7% (21,8%) en P. niger 73,6% (13,8%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.