Overslaan en naar de inhoud gaan

Moerasboszwartschild Pterostichus nigrita

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
nigrita [soort]

Hygrofiel, eurytoop, slecht bestand tegen uitdroging (Thiele 1977). Volgens Thiele (1967) is hij eurytherm, met een voorkeur voor 15-35°c op droog en 5-25°c op nat substraat. Op vochtige, meestal eutrofe plaatsen, zoals in de oeverzones van rivieren en meren, op humusrijke of kleiige bodem met enige beschaduwing (Lindroth 1986). Aan eutrofe poelen in uiterwaarden (Jarmer 1973), natte bossen, sloten etc. (Burmeister 1939). Minder op oligotrofe plaatsen. Laagland en bergen, tot ca. 1500 m (Marggi 1992). Paje & Mossakowski (1984) vonden een voorkeur voor pH-waarden van 3,3 voor dieren afkomstig uit veenmoeras en een gelijkmatige verdeling over alle klassen van 3,3-7,7 voor bosdieren. Vermoedelijk gaat het bij de eerste groep om P. rhaeticus. De ‘zure’ voorkeur werd ook gevonden bij de veensoorten P. aterrimus en Agonum ericeti.

Vangpotten. Groep: EU(G) (429 series, 8.000 individuen). Het vangpotmateriaal van P. nigrita en P. rhaeticus is eveneens voor een groot deel gemengd en ook niet meer te scheiden. Het oecologisch traject in de grafiek is dus groter dan in werkelijkheid voor P. nigrita alleen het geval zal zijn. Waarschijnlijk betreffen de vangsten van de heideachtige en schrale terreinen [1-6, 12] en voedselarme bossen [15-18] hoofdzakelijk P. rhaeticus. Natte bossen en overige beschaduwd-vochtige terreintypen [21-32] worden in hoofdzaak bewoond door P. nigrita. De vangsten van polders en drooggevallen gronden [28-32] betreffen eveneens met vrij grote zekerheid de laatste soort, omdat deze a) gevleugeld en dus een goede kolonisator is en b) nog steeds talrijk is op akkers in Zuidelijk Flevoland (Siepel et al. 1996). Eurytopie: nigrita en rhaeticus: 3 (PRES = 0,88 en SIM = 0,86). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: alle wederzijds > 50% Pterostichus niger 78,5% (52,6%), Pterostichus diligens 55,6% (56,6%), en Dyschirius globosus 52,1% (51%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.