Overslaan en naar de inhoud gaan

Groeftarszwartschild Pterostichus vernalis

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Pterostichus [genus] (19/18)
vernalis [soort]

Nachtactief. Voortplanting in het voorjaar. De imago’s overwinteren aan de voet van struiken en bomen, meestal dicht tegen de stam, of in graspollen (Marggi 1992). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: veelal dimorf genoemd in de literatuur (o.a. Lindroth 1985, Luff 1998). polymorf volgens de metingen van Desender (1989a). Er bestaat bij het Belgische materiaal geen duidelijke scheiding tussen kortvleugelige en langvleugelige dieren. Op oude, natte graslanden bleken de dieren nauwelijks in het bezit te zijn van volledig ontwikkelde vliegspieren. Dit was wel het geval op een net aangelegd, jong grasland. Dieren die tijdens de vlucht werden gevangen bleken ook de best ontwikkelde vleugels te hebben. Bangsholt (1983) onderscheidde wel brachypteer van macropteer en meldde een percentage van 31,7% gevleugelde dieren voor Denemarken. Ook uit Drenthe komen vliegwaarnemingen: mei 31, juni 1 en oktober 1 (TVH).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.