Overslaan en naar de inhoud gaan

Gepuncteerde zwartschild Pterostichus strenuus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Pterostichus [genus] (19/18)
strenuus [soort]

Hygrofiel, eurytoop. Een kenmerkende soort van de strooisellaag van vochtige loofbossen en de drogere delen van broekbossen, ook op beschaduwde plaatsen in open terreinen, meestal op klei (Lindroth 1974, 1986). In het laagland en middelgebergte tot ca. 1000 m, ook in rietland, venen, moerassen, groeven en slootkanten (Burmeister 1939). Volgens Luff (1998) op noordhellingen meestal vervangen door P. diligens (zie ook Rushton et al. 1991). In Midden-Europa eveneens vochtminnend, met voorkeur voor lemige of zware, vochtige en humeuze bodem, in bossen, maar ook op onbeschaduwde plaatsen (Marggi 1992). In Finland een belangrijke begeleidende soort in oligotrofe vennen (Krogerus 1960).

Vangpotten. Groep: EU(G) (624 series, 33.119 individuen). Relatief weinig gevangen in heiden, zeeduinen en op kwelders [1-7, 33]. Niet op akkers en braakland op zandige bodem [13-14]. In bijna alle resterende terreintypen talrijk tot zeer talrijk, vooral in natte bossen [21-22], rietlanden en akkers in de polders [27-29], drooggevallen gronden en oevers [30-32]. Eurytopie: 9 (PRES = 0,91 en SIM = 0,89). Bodem en Vocht: geen voorkeur. De score voor kalkgrasland [25] is mogelijk te hoog vanwege verwarring met Pterostichus ovoideus (zie aldaar). Begeleiders: Loricera pilicornis 60% (54,5%), Amara communis 56,6% (50,4%) en Pterostichus vernalis 50,4% (62,3%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.