Overslaan en naar de inhoud gaan

Oeverzwartschild Pterostichus anthracinus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Pterostichus [genus] (19/18)

Zeer hygrofiel en warmteminnend, met een voorkeurstemperatuur van ca. 20°c (Lindroth 1943). Over het algemeen op schaduwrijke, min of meer moerassige plaatsen en in broekbossen (Thiele 1977). Een soort van vochtige, kleiige en modderige bodem met een rijke strooisellaag en veel nat, dood hout. Vooral in donkere, natte bossen met weinig ondergroei, meestal vlak bij water, zoals aan oevers van bospoelen en in rivierbossen (Jarmer 1973, Lindroth 1974, 1986). Plaatselijk op beschaduwde plekken in open terrein en in begroeide leemgroeven, minder op zandbodem. Eveneens in Zwitserland op beschaduwde natte plaatsen, ook op grindbodems, in het laagland en bergdalen, tot 1200 m (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: G4 (27 series, 388 individuen). De vangsten komen vooral uit natte bossen [21-22] en vochtige, kruidenrijke graslanden [26]. Eurytopie: 4 (PRES = 0,21 en SIM = 0,58). Bodem: zeeklei. Vocht: geen duidelijke voorkeur. Begeleiders: Pterostichus strenuus 92,6% (4%), Nebria brevicollis 73,1% (3%), Loricera pilicornis 70,4% (2,8%) en Pterostichus melanarius 70,4% (3,8%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.