Overslaan en naar de inhoud gaan

Blauwe pronkloper Lebia cyanocephala

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Lebia [genus] (3/3)

Dagactief? Voortplanting in het voorjaar, waarbij volgens Burmeister (1939) in april de copulatie ’s nachts en ’s morgens werd waargenomen. De eieren worden oppervlakkig in de bodem gedeponeerd of onder stenen, in groepjes van ca. 20. De ontwikkeling van de eieren duurt ca. 14 dagen. De larven zouden wormen, jonge slakken en insectenlarven eten. Overwintering als imago van oktober tot maart. Waarschijnlijk is ook deze soort gespecialiseerd op de poppen en/of larven van bladkevers (Chrysomelidae, zie Lebia chlorocephala en cruxminor), een gastheer is echter niet bekend. De larve is nog niet beschreven.

Dispersie: macropteer. (Desender 1989a). Assmann & Starke (1990) namen de soort in Zuid-Europa meermalen vliegend waar. Hij werd recentelijk tevens aangetroffen in lichtvallen in Hongarije (Kádár & Szél 1995).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.