Overslaan en naar de inhoud gaan

Kruispronkloper Lebia cruxminor

Foto: Tim Faasen

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Lebia [genus] (3/3)
cruxminor [soort]

Dagactief, A.P.J.A. Teunissen ving acht exemplaren bij zonnig weer op de onderzijde van schermbloemigen (Berger & Poot 1970). Voortplanting in het voorjaar, de ‘verse’ dieren verschijnen in de voorzomer en worden gevonden in juli-augustus (Lindroth 1986). Het maximum van de activiteit valt doorgaans in de zomer (Lindroth 1949). Overwintering als imago, in de bergen tot ca. april in het winterkwartier (Marggi 1992). Zowel Burmeister (1939) als Marggi (1992) meldden dat zowel de larven als de adulte dieren op de larven van bladkevers (Chrysomelidae) jagen, o.a. Chrysolina hyperici en C. varians en met name op Galeruca tanaceti die waarschijnlijk de voornaamste gastheer is. De imago’s bewegen zich gemakkelijk op planten en struiken, en werden waargenomen op o.a. hazelaar, eik, ganzenbloem (Chrysanthemum segetum), salie (Salvia), hertshooi (Hypericum), berenklauw (Heracleum spondyleum) en distels (Cirsium) (Burmeister 1939). De larve is onbekend.

Dispersie: macropteer. Volgens Assmann & Starke (1990) zijn de vleugels bij de West-Duitse dieren volledig ontwikkeld en is de soort meermalen overdag vliegend waargenomen (ook: Burmeister 1939).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.