Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwartkopschorsloper Philorhizus melanocephalus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Philorhizus [genus] (5/4)

Xerofiel, eurytoop. Enerzijds een strikte bodembewoner van open, meestal droog terrein, zoals zandige graslanden, daar in graspollen en dood plantenmateriaal (Lindroth 1974, 1986). In Noord-Europa is de voorkeur voor xerotherme plaatsen groter dan in Midden-Europa (Lindroth 1949). Anderzijds ook in vochtige gebieden vooral in zeggenbulten (Carex). Ook in graspollen in de duinen, onder andere in het gezelschap van Paradromius linearis. Vooral in het laagland en de heuvels (Burmeister 1939, Marggi 1992). Ook in het literatuuroverzicht van Büngener et al. (1991) komt de tweeledige oecologische voorkeur goed tot uitdrukking (vergelijk dit met bijvoorbeeld Demetrias atricapillus en D. monostigma).

Vangpotten. Groep: eU(B) (118 series, 230 individuen). De vangsten komen van zeer uiteenlopende open terreintypen, zoals hoogveen en heiden [1-2, 4-6], duinen [7-10] en zandige, weinig bemeste cultuurlanden [11, 14-15]. Eveneens in veel vochtiger en meer beschaduwde terreintypen zoals in oude dennenbossen [17], broekbossen en struwelen [21-23]. Hij mijdt de meeste bostypen [16, 19-20] en oevers [31-33]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,67 en SIM = 0,9). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Calathus melanocephalus/cinctus 77,1% (10,3%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.