Overslaan en naar de inhoud gaan

Ringneksnelloper Platynus livens

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Platynus [genus] (1/1)
livens [soort]

Ripicol, paludicol (Mandl 1978). Volgens Krogerus (1960) in Finland vooral aan oligotrofe vennen, geheel of gedeeltelijk tyrfobiont/tyrfofiel. Een soort van moerassige, venige loofbossen, vooral met elzen (Alnus) of berken (Betula), tussen blad of in veenmos (Sphagnum) (Lindroth 1974, 1986). Bij voorkeur op modderige plaatsen met veel beschaduwing, ook op kleiige bodem tussen bladeren, bij voorkeur langs de oevers van bospoelen. In het laagland en bergdalen tot ca. 600 m (Burmeister 1939). In Zwitserland eveneens in moeras- en broekbossen met veel schaduw, niet montaan. Uit bovenstaand overzicht van vangsten in natte bossen in Nederland blijkt, dat de soort zeer verbreid is en waarschijnlijk sterk onderbemonsterd, evenals diverse andere soorten van moeras- en broekbossen (vergelijk: Agonum viridicupreum en Badister unipustulatus).

Vangpotten. Groep: D2 (6 series, 19 individuen). De vangsten komen alle uit vochtige tot natte loofbossen [18-19, 21-22], maar niet uit het eiken-haagbeukenbos [20]. Zeer waarschijnlijk sterk onderbemonsterd. Eurytopie: 4 (PRES = 0,12 en SIM = 0,62). Bodem: rivierklei. Vocht: 4. Begeleiders: onvoldoende gegevens uit vangpotten. Bij handvangsten vaak samen met Leistus fulvibarbis en Patrobus atrorufus (TH, TG).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.