Overslaan en naar de inhoud gaan

Heidekielspriet Poecilus lepidus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Poecilus [genus] (5/5)
lepidus [soort]

Xerofiel. Een kenmerkende soort voor open, zonnige zand- of (hoog)veenbodem met een open, mozaïekachtige heidevegetatie met Calluna en vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens) (Lindroth 1974, 1986, Mossakowski 1970b, Schjøtz-Christensen 1957). Ook vaak in droge, schrale graslanden, zandige bermen en op open plekken in droge bossen (Den Boer 1977, Vermeulen 1993). In een aantal gevallen is hij op vochtige tot vrij natte plaatsen gevonden, onder andere langs rivieroevers, met name in Zuid-Europa (o.a. HT), waaruit wellicht kan worden geconcludeerd dat instraling van de zon een belangrijker factor is dan bodemvochtigheid. In het laagland en de bergen tot boven de 2000 m (Burmeister 1939). In de bergen vooral op de warmere plaatsen, eveneens vooral op droge, zandige of grindachtige bodem, niet op de noordhellingen (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: A1 (307 series, 13.284 individuen). De vangsten komen praktisch geheel uit de drogere heiden inclusief vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens) [2-6] en zandige cultuurterreinen, inclusief bosaanplant en open naaldbos [13-17]. Niet in de zandgebieden aan de kust [7-10]. Eurytopie: 6 (PRES = 0,39 en SIM = 0,80). Bodem: veen. Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Calathus melanocephalus/cinctus 95,9% (34,2%), Calathus erratus 87,6% (43,9%), wederzijds > 50% Poecilus versicolor 91,4% (56%), Amara lunicollis 90,2% (50,8%), Pterostichus diligens 76,2% (56,6%), Notiophilus aquaticus 69,2% (54%), Bradycellus ruficollis 68,6% (78%), Bradycellus harpalinus 68,3% (57,3%) en Harpalus latus 65,4% (65,6%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.