Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Koperen kielspriet Poecilus cupreus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Poecilus [genus] (5/5)
cupreus [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Poecilus [genus] (5/5)
cupreus [soort]

Dagactief, vaak lopend aangetroffen op vrij open plaatsen langs de randen van akkers en op landweggetjes. Novak (1959) vond dat de mannetjes tegenover elkaar veel agressiever waren dan de vrouwtjes onderling en bovendien zoiets als een pikorde lieten zien. Voortplanting in het voorjaar, de larvale ontwikkeling vindt plaats vanaf juli, zonder diapauze, in ondergrondse holten en gangen. De poprust duurt ca. 8-9 dagen (Burmeister 1939), de ‘verse’ dieren verschijnen doorgaans in de herfst. Bij het kweken van de soort vond Krehan (1970) twee legperioden, tegen één in het veld. Hij stelde vast dat de volwassen dieren een door daglengte gestuurde obligate parapauze hebben. Bij een onderzoek in Zuidelijk Flevoland bleek dat ook een deel van de larven kan overwinteren (Schoones 1973). Een deel van de adulte dieren wordt ouder dan één jaar, deze oude dieren zijn vaak zeer donker van kleur. Ze zijn in het voorjaar soms dominant (in aantal) en reproduceren dan ook weer (Krehan 1970), maar veel minder dan de jonge dieren. P. cupreus eet zowel plantaardig materiaal als een breed pakket aan dierlijk voedsel, waaronder spinnen (Skuhravy 1959), maar in hoofdzaak insectenlarven (Burmeister 1939). Theiss & Heimbach (1993, 1994) experimenteerden bij een kweek met P. cupreus met chemisch geconserveerd voedsel (fijngehakte vliegenlarven) omdat dit onder onbehandelde omstandigheden zeer snel ongeschikt werd door schimmelinfectie. Het voer werd gedrenkt in een mengsel van 2% nipagin, 2% sorbinezuur en 96% ethanol, hetgeen bij één voeding per week van de larven resulteerde in de helft van het anders benodigde voer, zonder dat dit enige negatieve invloed had op mortaliteit, ontwikkelingsduur of gewicht van de verse ontpopte adulten. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. Van de soort zijn veel vliegwaarnemingen bekend (O.A. Lindroth 1945). Desender (1989a) vond geen duidelijk verschil in vleugellengte bij exemplaren met en zonder volledig ontwikkelde vliegspieren. Een zeer goede loper, waarvan snelheden gemeten zijn van ongeveer 10 cm per seconde, hetgeen een effectieve verplaatsing in het terrein kan opleveren van ongeveer 30 m per dag (Thiele 1977). De jonge dieren lopen duidelijk sneller dan de oude (zwarte) exemplaren. Volgens Thiele & Lehmann (1967) vormen temperatuurverschillen de belangrijkste factor voor de oriëntatie in het veld. Schoones (1973) vond bij loopexperimenten, dat hij droge delen in het terrein mijdt. De soort was al zeer vroeg in de IJsselmeerpolders present en is een uitstekende kolonisator gebleken. Op het moment is het nog steeds een dominante soort in akkerranden in Zuidelijk Flevoland (Siepel Et Al. 1996).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie