Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwarte dwergloper Syntomus truncatellus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Syntomus [genus] (4/2)

Eurytoop. De oecologie lijkt sterk op die van S. foveatus maar volgens Assmann & Starke (1990) mijdt hij de droogste plaatsen, en ook volgens Luff (1998) minder xerofiel dan deze soort. Een soort van open en zonnig terrein op uiteenlopende bodemsoorten met een vrij open vegetatie met grassen (Lindroth 1974, 1986). Typisch voor droge hooilanden, maar ook op akkers en open plekken in droge bossen, niet zelden samen met S. foveatus. In Midden-Europa vanaf de laagvlakte en het heuvelland tot ca. 1200 m, soms subalpien tot maximaal ca. 1500 m (Burmeister 1939). Marggi (1992) meldde, als aanvulling op het algemene beeld, dat hij ook gevonden wordt onder struiken en aan bosranden.

Vangpotten. Groep: eU(B) (302 series, 3.713 individuen). De oecologische gelijkenis met S. foveatus die al naar voren kwam uit de literatuur, is ook te vinden in het Nederlandse vangpotmateriaal. De vangsten komen eveneens uit heiden en duinen [4-10], alsmede cultuurlanden [11-15]. Grote verschillen zijn niet te zien. Hij mijdt eveneens de meeste bostypen [18-20] en de polders [27-29]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,70 en SIM = 0,85). Bodem: zand. Vocht: 2. Begeleiders: Calathus melanocephalus/cinctus 72,3% (25,2%), wederzijds > 50% Amara curta 61,2% (73,2%), Amara convexior 58,6% (58,6%) en Leistus ferrugineus 55% (52,5%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.