Overslaan en naar de inhoud gaan

Oostelijke snelloper Limodromus krynickii

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Limodromus [genus] (2/2)
krynickii [soort]

Hygrofiel, paludicol (Mandl 1978). Volgens de literatuur is het een soort van donkere, moerassige plekken in venige bossen met een rijke ondergroei van o.a. moerasspirea (Filipendula ulmaria), waar hij in het strooisel en in mossen, of achter schors van dode takken leeft (Lindroth 1986). Ook uit vochtige heide (Erica) met pijpenstrootje (Molinia caerulea), of drogere heide (Calluna) met korstmossen (Cladonia) en borstelgras (Nardus stricta) (TD). Volgens Burmeister (1939) vlak bij water. Volgens Marggi (1992) geven de schaarse vondsten in Noord- en Midden-Italië aanwijzing voor een voorkeur voor leem- of kalkbodem.

Vangpotten. Groep: A1 (6 series, 9 individuen). De vangsten uit Drenthe (Kraloërheide, Dwingelderveld) komen uitsluitend uit heiden [4-5]. Het beeld van de oecologie is hiermee, gezien de literatuurgegevens, beslist niet compleet. Eurytopie: 3 (PRES = 0,06 en SIM = 0,5). Bodem: hoogveen. Vocht: niet op droge plaatsen gevangen. Begeleiders: onvoldoende gegevens.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.