Overslaan en naar de inhoud gaan

Tweevleksmalkop Panagaeus bipustulatus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Panagaeus [genus] (2/2)

Xerofiel-mesofiel. De meeste auteurs benadrukten het droogteminnende karakter van deze soort. Hij komt voor op vrij open, matig vochtige tot droge, aan de zon geëxponeerde lemige of kalkhoudende bodem (Lindroth 1974, 1986), zeldzamer op zand of grindachtige bodem (Assmann & Starke 1990). Met name in onbemeste, niet te droge graslanden. In Westfalen samen gevonden met Callistus lunatus (Assmann et al. 1990). Voor Groot-Brittannië ook gekarakteriseerd als een soort van vooral kalkgraslanden en duinen (Hyman 1992, Luff 1998). Volgens Burmeister (1939) ook op vochtige plaatsen. Barndt et al. (1991) gaven hem voor Berlijn op van zure bossen en min of meer droge open terreintypen. In Midden-Europa volgens Burmeister (1939) in het laagland en het middelgebergte. Maar zuidelijker, in Zwitserland, vrijwel beperkt tot de heuvels en het montane gebied, van ca. 350 tot 1100 m (Marggi 1992), daar min of meer xero-thermofiel, o.a. op zonnige ruderale plaatsen, in akkers en in tuinen.

Vangpotten. Groep: B1 (161 series, 457 individuen). De vangsten komen uit vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens), duinen en schrale graslanden [6-10] enerzijds en uit wat vochtiger en beschaduwder terreintypen anderzijds, zoals vochtige bossen en struwelen [21-23]. De vangsten uit ruderale terreinen en kalkgraslanden [24-25], passen weer in het beeld dat ook uit de literatuur naar voren komt. Verder een enkele score in het eiken-berkenbos [18], waar de soort echter zeer talrijk was. De soort is bij ons dus wel degelijk op zandbodem gevangen. Het is niet onmogelijk dat zich onder het materiaal van P. bipustulatus ook dieren bevinden die behoren tot P. cruxmajor en die (gedeeltelijk) verantwoordelijk zijn voor de vangsten in de natte terreintypen; dit is echter niet meer te controleren. Eurytopie: 6 (PRES = 0,36 en SIM = 0,62). Bodem: zand. Vocht: 2. Begeleiders: Syntomus truncatellus 82% (43%), Calathus melanocephalus/cinctus 74,5% (13,6%), Amara convexior 73,3% (38,4%) en Amara curta 72,7% (45,5%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.