Overslaan en naar de inhoud gaan

Oeverspiegelloopkever Notiophilus substriatus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Notiophilus [genus] (8/8)

Biotopen

Heitjohann (1974) vond de soort in West-Duitsland vooral in het eiken-beukenbos. In Nederland lijkt het beeld van een bossoort niet bevestigd te worden (zie onder). Mandl (1978) noemde hem ‘paludicol’. N. substriatus is vrij eurytoop en komt vooral voor in open terrein op zandige of venige bodem. Lindroth (1974) en Luff (1998) typeerden hem voor de Britse Eilanden als een soort van schaars begroeide, open en vrij droge terreintypen. Door Schilthuizen in 1981 in aantal gevangen in vangbekers op het groene strand van Oostvoorne. In België meer in het lage deel van het land, beneden 200 m, vooral op droge graslanden (Desender 1986, 1989). In Zwitserland schijnt het een oeversoort te zijn (Marggi 1992), hetgeen niet in tegenspraak is met vangsten in Nederland. Het is zeer waarschijnlijk een exclusieve laaglandsoort. Volgens Burmeister (1939) vaak aan de voet van bomen, of in aanspoelsel langs rivieren.

Vangpotten. Groep: B1 (80 series, 146 individuen). De hoogste dichtheden vinden we in hoogveen [1], vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens) [6], duingrasland [8] en een aantal min of meer cultuurlijke, open en zandige terreintypen [10-14]. De soort ontbreekt nagenoeg in bossen [16-23] en de zeer jonge terreinen op zeekleigronden [29, 30, 33]. Eurytopie: 7 (PRES = 0,64 en SIM = 0,77). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Calathus melanocephalus 80,2% (7,4%), Calathus fuscipes 72,8% (10,1%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.