Overslaan en naar de inhoud gaan

Moerashaaroogkever Trichocellus placidus

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Trichocellus [genus] (2/2)
placidus [soort]

Vrij eurytoop. Een soort van beschaduwde en vrij vochtige plaatsen, in open vochtige bossen, aan bosranden en in hoge grasland- of rietlandvegetaties met voorkeur voor een bodembedekkende strooisel- of moslaag (Lindroth 1974, 1986, Luff 1998). In het noorden vaak in loofbossen, samen met Calathus micropterus. Een soort van het laagland en het middelgebergte (Burmeister 1939). Op de bodem bij voorkeur tussen mos of in het strooisel. In Zwitserland met name op moerassige plaatsen (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: F2 (257 series, 5.600 individuen). De vangsten komen uit een groot aantal min of meer vochtige terreinen, zoals vochtige bossen en struwelen [21-23], maar ook uit de polders [28] en andere jonge terreinen [30]. Daarnaast goed vertegenwoordigd in enkele bostypen, inclusief duinbossen [9, 17-18]. In het heidecomplex vooral in de meer vochtige terreinen [2-3]. Hij mijdt zowel te open, te droge als te natte terreintypen, zoals open cultuurland [12-15], oevers en kwelders [32-33] en hoogveen [1]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,73 en SIM = 0,83). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Pterostichus niger 72,1% (28,9%) en Pterostichus strenuus 70,5% (29%).

 

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.