Overslaan en naar de inhoud gaan

Akkerboogkever Trechus quadristriatus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Trechus [genus] (3/3)

Eurytope veldsoort. Vooral op open vrij droge grond met een korte vegetatie van grassen, vooral in duinen, samen met o.a. Paradromius linearis (Lindroth 1974, 1985), liefst op enigszins beschaduwde plaatsen. Ook in cultuurland, bij voorkeur op akkers met knolgewassen, ook op braakliggend land. Burmeister (1939) gaf hem op voor bossen, velden, weiden, zand- en leemgroeven en oevers, in bergdalen tot montaan, ca. 1200 m; in zeldzame gevallen hoger, tot boven de 2000 m (Marggi 1992). In Engeland volgens Pollard (1968b) bijna uitsluitend in het veld en niet in heggen, maar in Duitsland daarentegen wel (Thiele 1964b).

Vangpotten. Groep: EU(G) (451 series, 9.616 individuen). Vooral in duinen [7-10], allerhande cultuurlijke en min of meer beschaduwde terreintypen [12-13,21-24 en 26-32]. Hij is zeer massaal aangetroffen in jonge terreinen, vooral in de IJsselmeerpolders [29-30]. De soort ontbreekt nagenoeg in de heideterreinen [1-6], braakland, bosaanplant [14-15] en enkele bostypen [16, 18-19]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,76 en SIM = 0,86). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: geen.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.