Overslaan en naar de inhoud gaan

Akkerboogkever Trechus quadristriatus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Trechus [genus] (3/3)

Actief gedurende de gehele nacht tot zonsopgang (Kirchner 1960). De hoogste activiteit van deze soort en de voortplanting vallen in hoofdzaak in het late najaar, maar volgens Mitchell (1963a,b) kan een klein deel van de dieren ook in het voorjaar reproduceren. Overwintering in hoofdzaak als larve, zelden als imago. Hij predeert vooral insecteneieren en kan een rol spelen in de bestrijding van plagen (Lindroth 1985). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer, met vele vliegwaarnemingen, vooral ’s nachts. De vangsten in raamvallen in Drenthe zijn als volgt verdeeld: mei 1, juli 4, augustus 8 en september 2 (TVH). Luff (1998) bericht van zwermgedrag in de herfst, vooral in het oosten van Engeland en hij veronderstelt dat het mogelijk windverspreiders vanuit het vasteland van Europa zijn. Bij de metingen van Desender (1989a) bleek de vleugelontwikkeling optimaal te zijn, hoewel een deel van de individuen vliegspierautolyse vertoonde. De opbouw en afbraak van vliegspieren is duidelijk seizoensgebonden. De soort kan, blijkens waarnemingen op lichtschepen 30 km uit de kust, grote afstanden vliegend overbruggen (Heydemann 1967b, C). Ongevleugelde individuen zouden in Zuid-Europa voorkomen (Lindroth 1945). Lopend kan de soort zich volgens Mitchell (1963a, b) gemiddeld wel drie m per dag verplaatsen.

 

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.