Overslaan en naar de inhoud gaan

Gewone boogkever Trechus obtusus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Trechinae [subfamilie]
Trechus [genus] (3/3)
obtusus [soort]

Eurytoop, mesofiel. Minder xerofiel dan T. quadristriatus, vooral in middelmatig vochtige, beschaduwde terreinen (Lindroth 1985). In het noorden van Fennoscandië meer een soort van open terreinen. Voor Groot-Brittannië gaf Lindroth (1974) als biotopen open en vrij droge terreintypen aan, terwijl Pollard (1968b) hem meer in heggen dan in de daaraan grenzende velden aantrof. In onze streken meer een bewoner van bossen, struwelen en heggen dan veldbewoner (Den Boer 1977). In de bergen komt hij hoger voor dan T. quadristriatus, daar ook op alpiene graslanden (Burmeister 1939), maar overwegend in mesofiele loofbossen. In Zwitserland vanaf het heuvelland, maar vooral montaan tot alpien (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: EU(F) (251 series, 7.930 individuen). In praktisch alle min of meer begroeide terreintypen, vooral in vochtige bossen op klei en kruidenrijke graslanden [21-24,26]. Weinig gevonden of ontbrekend in zeer open en droge, oligotrofe terreinen [6,5-7,9] en zware bostypen [19-20]. Ook niet in extreem natte terreintypen zoals hoogvenen, graslanden met pijpenstrootje (Molinia caerulea) en kwelders [1-2,27,33]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,82 en SIM = 0,86). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleider: Pterostichus strenuus 70,1% (28,1%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.