Overslaan en naar de inhoud gaan

Gewone koekoekshommel Bombus campestris

Foto: Jan Kersten

Indeling

Apinae [subfamilie]
Bombus [genus] (31/29)
campestris [soort]

Begin april verschijnen de eerste vrouwtjes, ongeveer vier weken nadat de eerste koninginnen van Bombus pascuorum uit hun winterslaap zijn ontwaakt. De meeste vrouwtjes verschijnen echter in mei en juni. Deze topperiode volgt wederom circa vier weken na die van B. pascuorum. Dit verschil in tijd komt overeen met het volgroeien van de eerste werksters van de gastheer. Het volk is dan nog relatief klein en daarom is dit het optimale moment om het nest te parasiteren. De meeste mannetjes verschijnen in augustus, maar worden soms al vanaf begin mei waargenomen. Jonge vrouwtjes vliegen vanaf eind juli, maar zoeken na de paring al snel een overwinteringsplek en worden dan nog nauwelijks gezien. Ontwikkelingsduur van onvolwassen stadia als B. barbutellus.

Parasiteert bij andere hommelsoorten. De belangrijkste gastheer is B. pascuorum, maar parasiteert ook bij B. humilis, B. pomorum en B. pratorum. Op grond van het samen voorkomen treedt B. campestris waarschijnlijk ook als broedparasiet op bij B. muscorum en B. ruderarius (Mervyn Roos, eigen waarneming).

In het vroege voorjaar zijn vrouwtjes vaak te vinden op paardenbloem en hondsdraf. Opvallend is dat B. campestris, in tegenstelling tot veel andere hommelsoorten, slechts zelden op wilg wordt aangetroffen. Later in het jaar foerageren de jonge vrouwtjes op allerlei soorten bloemen, zoals beemdkroon, haagwinde, koninginnenkruid en witte klaver. Mannetjes hebben een sterke voorkeur voor allerlei soorten distels en, langs bosranden, gewone braam, maar ze worden ook regelmatig op het in Nederland relatief zeldzame duifkruid gezien.

 

Bron

Auteur(s)

Roos, M.

Publicatie