Overslaan en naar de inhoud gaan

Akkerhommel Bombus pascuorum

Foto: Martien van den Heuvel

Indeling

Apinae [subfamilie]
Bombus [genus] (31/29)
pascuorum [soort]

Eén generatie. Ontwikkelingsduur van onvolwassen stadia als Bombus barbutellus. Nestelt zowel boven als onder de grond, in graspollen, oude muizennesten en schuren. Kolonies middelgroot, 60-150 individuen. 'Pocket-maker'. Polylectisch. De middellange tot lange tong maakt dat de soort op vrijwel alle typen bloemen kan foerageren. De kleinste werksters foerageren regelmatig op zeer kleine bloemen waarop andere hommelsoorten weinig of nooit worden aangetroffen, zoals fluitenkruid, gewone spurrie, kleine veldkers, klein vogelpootje, look-zonder-look en struikhei, doch nooit in groot aantal. Koninginnen en werksters hebben sterke voorkeur voor vlinderbloemen en lipbloemen. Mannetjes en werksters zijn op vrijwel alle soorten composieten aan te treffen. In ondergroei van naaldbossen talrijk op blauwe bosbes, hengel en rankende helmbloem, in loofbossen veelal op bosandoorn en vingerhelmbloem, in tuinen talrijk op blauw kattenkruid, lavendel en vlinderstruik. In agrarisch gebied is witte dovenetel een van de belangrijkste voedselplanten gedurende de nestelperiode van de koningin. In fruitboomgebieden treedt in deze periode regelmatig forse voedselconcurrentie op met honingbij (Mervyn Roos & Theo Peeters, eigen waarneming). De fruitbloemen kunnen de nectarconsumptie door honingbijen niet bijhouden, waardoor er voor de grotere akkerhommels onvoldoende overblijft. De soort breekt zelden in, maar maakt wel regelmatig gebruik van oude bijtgaatjes aan de bloembasis. Nog niet geopende bloemen worden vaak al bezocht door de tong/kop met kracht tussen de kroonbladeren te drukken, bijvoorbeeld bij distels en gele lis.

Bombus campestris en B. rupestris parasiteren bij deze soort.

 

Bron

Auteur(s)

Roos, M.

Publicatie