Overslaan en naar de inhoud gaan

Vosje Andrena fulva

Foto: Dick Belgers

Indeling

Andreninae [subfamilie]
Andrena [genus] (84/73)
fulva [soort]

Eén generatie. In het voorjaar verschijnen mannetjes ongeveer een dag eerder dan vrouwtjes. Twee dagen later bereikt het aantal mannetjes al zijn maximum, terwijl de vrouwtjes dan nog schaars zijn (Banaszak 1994). Bij de paring volgen mannetjes twee strategieën: ze patrouilleren langs struiken, vooral voedselplanten van vrouwtjes (Haas 1960), of ze vliegen laag boven de grond in een zigzagpatroon (Banaszak 1994). Wanneer een mannetje een rustend vrouwtje aantreft, dan stort hij zich zo wild op haar, dat beide op de grond vallen, waar vervolgens gecopuleerd wordt. Vrouwtjes graven hun nest zowel in kale grond als in grasvelden, vaak in aggregaties, die een grootte kunnen bereiken van duizend nesten. Dergelijke aggregaties kunnen zich jaren achtereen op dezelfde plek bevinden (Gusenleitner 1983, Paxton & Pohl 1999). Het nest is enkelvoudig en vertakt, de hoofdgang kan tot 55 cm diep zijn. Aan het einde van de hoofdgang worden zijgangen gemaakt, die eindigen in een broedcel. De broedcellen liggen 35-45 cm diep in de grond. De binnenwand van de broedcel wordt wordt bekleed met een uitscheiding uit de Dufourklier (Banaszak 1994), die net als bij alle in de grond nestelende bijensoorten een aanzienlijke lengte heeft (8 mm). Het vrouwtje maakt 8-10 verzamel- vluchten voor het bevoorraden van een broedcel (Otoole & Raw 1991), die elk 15-100 minuten duren. Op een warme dag kan een vrouwtje maximaal vijf verzamelvluchten maken. De pollenvoorraad in een broedcel heeft een diameter van 6 mm. Na het bevoorraden van de broedcel wordt deze afgesloten met een zandprop. De larve spint geen cocon. De vrouwtjes zijn polylectisch. Westrich (1989b) noemt tien plantenfamilies waarop de vrouwtjes stuifmeel verzamelen. 

Nomada panzeri is zeker broedparasiet (Paxton & Pohl 1999), N. signata zeer waarschijnlijk ook (Gusenleitner 1983, Perkins 1919, Schroeder 1922, Stöckhert 1933, Westrich 1989b). In een nest- aggregatie in Wales bedroeg de gemiddelde parasiterings- graad door N. panzeri 17,9%. De waaiervleugelige Stylops melittae wordt tamelijk vaak aangetroffen in volwassen exemplaren. Bij mannetjes kan dit tot forse verandering in uiterlijk leiden, waarbij de beharing op het achterlijf veel sterker wordt. Paxton & Pohl (1999) hebben een paar soorten parasitaire vliegen gekweekt uit de nesten van A. fulva: de wolzwever Bombylius major en de bloemvlieg Leucophora obtusa.

Bron

Auteur(s)

Smit, J.

Publicatie