Overslaan en naar de inhoud gaan

Blauwzwarte houtbij Xylocopa violacea

Foto: Ger van Mansfeld

Indeling

Apinae [subfamilie]
Xylocopa [genus] (2/1)
violacea [soort]

Eén generatie. De broedcellen liggen lineair achter elkaar en worden gescheiden door tussenwanden gemaakt van houtsnippers verkit met speeksel. De tussenwanden worden met een onbekende waterdichte substantie bekleed. in dunne palen of stammen wordt maar één nestgang aangelegd. Als ze voldoende ruimte heeft, graaft het vrouwtje meerdere parallelle nestgangen met maximaal 18 broedcellen. Uit Nederland zijn drie nesten beschreven, bestaande uit vier, negen en 13 broedcellen (De Haan 1952, van Lith 1955b). De nestingang blijft steeds open. Vicidomini (1996) beschrijft de nestwijze in holle stengels van pijlriet in een agrarisch landschap in Zuid-Italië. De bijen bouwden nesten met 3-14 broedcellen (gemiddeld 7,4) in 8-35,5 dagen (gemiddeld 14,7). De lengte van de broedcellen was zeer variabel: 12-27 mm. De bij werkte 1-5 dagen aan een broedcel (gemiddeld 2). Nesten werden tot vier jaar achter elkaar gebruikt. Het vrouwtje legt een zeer groot ei, 9-12 mm, op het langste deel van het langwerpige, deegachtige pollenbrood. De larve is beschreven door McGinley (1989). Hij eet ongeveer 2-3 weken van de proviand en begint al na ongeveer tien dagen met uitscheiding van zwartbruine staafvormige fecaliën. De volgroeide larve spint geen cocon, maar verpopt enkele dagen nadat het voedsel geheel is opgegeten. Van der Zanden (1955) beschrijft kort hoe de pop uitkleurt. Westrich (1989b) geeft met behulp van foto's een overzicht van de ontwikkeling van ei tot pop. De ontwikkeling van ei tot volwassen dier neemt ongeveer 7-8 weken in beslag. Meestal maakt de moeder de geboorte van haar kroost, in augustus, nog mee. Of er in die periode, zoals bij andere Xylocopa-soorten, sprake is van sociaal gedrag is onbekend. Jonge mannetjes en vrouwtjes verblijven nog enige tijd in en rond het ouderlijk nest alvorens een geschikte plek te zoeken om te overwinteren. Ze doen dat gemeenschappelijk in boomstammen of andere holten. In maart-april vliegen ze uit en paren. Polylectisch. Westrich (1989b) noemt vier plantenfamilies waarvan pollen is aangetroffen bij vrouwtjes. Hermans (1995) maakt geen onderscheid in bloembezoek van mannetjes en vrouwtjes en noemt 11 plantenfamilies die bevlogen worden. In ons land zijn vrouwtjes waargenomen op bonte krokus, gewoon vingerhoedskruid, lis, phacelia en vlinderstruik (Hermans 1995; databestand Els-Nederland). Mannetjes bezochten akkerleeuwenbek, blazenstruik, dahlia, salie en witte dovenetel (Benno 1941, databestand EIS- Nederland). Aanvullingen uit de Nederlandse literatuur zonder vermelding van de sekse van de dieren zijn appel, blauweregen, bossalie, duizendschoon, gele lis en sleutelbloem (Cremers 1937, De Haan 1949, 1952, Sanders 1953, Verbeek 1951). Stuifmeel wordt getransporteerd aan de metatarsen en schenen van de achterpoten (De Haan 1952), maar voor het grootste deel in de krop. Houtbijen breken met hun stevige tong ook in en roven nectar bij planten (Bertkau 1884, Kugler 1972, Schedl 1967).

Er zijn geen koekoeksbijen bekend. Wel parasiteert de knotswesp Polochrum repandum in de nesten (Hurd & Moure 1961), maar deze soort komt in ons land niet voor. Specifiek voor X. violacea is de mijt Sennertia cerambycina (van Eyndhoven 1941).

 

Bron

Auteur(s)

Peeters, Th.M.J.

Publicatie