Overslaan en naar de inhoud gaan

Roodbruine groefbij Lasioglossum xanthopus

Foto: Wim Jongejan

Indeling

Halictinae [subfamilie]
Lasioglossum [genus] (48/41)
xanthopus [soort]

De mannetjes vliegen laat in het jaar en worden (wellicht ook daarom) slechts weinig gezien. waarnemingen van vrouwtjes na het voorjaar zijn bij ons zelfs uiterst zeldzaam. Bijzonder is dat mannetjes in zuidelijkere streken soms ook overwinteren. Misschien is dat op sommige plaatsen zelfs de norm, gezien het feit dat op 8 april 1993 beide seksen in aantallen werden gezien in de Hoge Atlas in Marokko (Edwards & Telfer 2001). Gezien de zeldzaamheid in de late zomer en het soms overwinteren van mannetjes, is er vermoedelijk iets bijzonders aan de hand met de levenscyclus. In Nederland zou, speculatief, aan de volgende mogelijkheid gedacht kunnen worden: misschien zoeken vele van de nieuwe mannetjes direct na het uitvliegen de vrouwtjes in de nesten op om daar te paren en gaan zowel de mannetjes als de bevruchte vrouwtjes vervolgens in een groot aantal gevallen direct in diapauze, waarna verreweg de meeste mannetjes tijdens de winter sterven.

Nestelt vermoedelijk solitair, mogelijk subsociaal. Ieder vrouwtje bouwt in het voorjaar haar eigen nest. De nesten liggen verspreid (niet in kolonies). De nestgang, die afhankelijk van de helling van de locatie vrijwel recht tot bochtig verloopt, bereikt een lengte van 44-49 cm. De 7-8 eivormige broedcellen grenzen ieder direct aan de nestgang en liggen dicht onder elkaar op een diepte van 31-37 cm. Iedere cel wordt voorzien van een 4 mm dik pollenbolletje, waarop een ei wordt gelegd. Daarna sluit het vrouwtje de broedcellen af met een zeer dun wandje, vervaardigd van bodempartikeltjes en aangelegd in concentrische ringen. Als alle cellen gereed zijn, sluit het vrouwtje de nestingang van binnenuit af en vult gedeeltes van de nestgang met grond op. Vervolgens trekt ze zich terug in het onderste deel. De uitgekomen larven ontwikkelen zich zeer snel: binnen twee weken is de pollenbal geconsumeerd, daarna worden faeces uitgescheiden en drie of vier dagen later volgt de verpopping (Pesenko et al. 2000).

Polylectisch. In Nederland gevonden op een zestal planten- families. Met name geregeld gevangen op duifkruid, margriet, paardenbloem en gele kruisbloemen zoals herik. Ook gevonden op grote centaurie.

 

Bron

Auteur(s)

Meer, F. van der

Publicatie