Overslaan en naar de inhoud gaan

Rosse metselbij Osmia bicornis

Foto: Susanne Kuijpers

Indeling

Megachilinae [subfamilie]
Osmia [genus] (14/12)
bicornis [soort]

Eén generatie. Het ei meet 2,1 x 4,0 mm en wordt met een uiteinde in het voedsel gelegd. De larve vervelt gedurende enkele weken enkele malen, waarna hij een cocon spint. over de precieze larvale ontwikkelingsduur en het aantal vervellingen is de beschikbare informatie niet eenduidig (O'Toole & Raw 1991, Westrich 1989b). Bij de verpopping is het van levensbelang dat de kop in de richting van de nestopening wijst; vermoedelijk gebruikt de larve de structuurverschillen in de licht gekromde tussenwanden om zich te oriënteren (O'Toole & Raw 1991). Exemplaren in de cocon zijn al te seksen: vrouwtjes zijn groter en hebben een zwart behaarde clypeus, terwijl deze bij mannetjes geel is (Gladis 1991). Het maagdelijke vrouwtje weegt 90,9 mg, het jonge mannetje 49,1 mg (Maddocks & Paulus 1987).

De levensduur van het vrouwtje is 10-12 weken en zij produceert 18 eieren (Raw 1972). Gladis (1991) meldt dat het vrouwtje gemiddeld 15 cocons nalaat. Het mannetje leeft korter en verschijnt ongeveer een week voor het vrouwtje. Wanneer hij in het nest, op zijn weg naar buiten, een inactieve voorganger ontmoet, dan bijt hij diens cocon open en maakt de bewoner aldus wakker, omdat hij er anders niet langs kan. Is deze bij dood dan bijt hij hem stuk, om de versperde doorgang weer vrij te maken (Raw 1972). Mannetjes hebben twee strategieën om te paren. Sommige gedragen zich territoriaal door rond grote nestelplaatsen een gebied te bezetten, in de hoop met uit het nest komende vrouwtjes te paren. Bij een onderzoek in Zuid-Engeland bleek een op de twaalf mannetjes dit gedrag te vertonen (O'Toole & Raw 1991). Deze territoriale mannetjes vertonen een onderlinge hiërarchie. Ze vinden een vrouwtje met behulp van reuk en zicht. Soms vindt de paring al in het nest plaats, maar meestal daarbuiten (Malyshev 1937). Andere mannetjes patrouilleren rond nestplaatsen en voedselplanten. Komen ze elkaar tegen dan vertonen ze geen agressie. Zodra ze een vrouwtje tegenkomen proberen ze met haar te paren (Seidelmann 1999). Het vrouwtje staat één mannetje toe met haar te paren. Ze vallen of landen samen op de grond of op een blad. Het mannetje zit bovenop het vrouwtje, dat tijdens de paring af en toe scherpe zoemgeluiden laat horen. Hij houdt zijn lange antennen voorwaarts en naar beneden gericht. Af en toe loopt het vrouwtje een stukje, met hem op haar rug. Intussen proberen andere mannetjes het mannetje weg te duwen, meestal zonder succes. Het stel blijft 5-30 minuten op elkaar zitten en kan in deze tijd meerdere malen copuleren; één copulatie duurt acht seconden (Maddoks & Paulus 1987, Westrich 1989b). Het geïnsemineerde vrouwtje paart niet meer en begint twee dagen nadat ze uit het nest kwam aan de bouw van een nest (Maddocks & Paulus 1987). Het mannetje gaat na de paring op zoek naar andere paringsbereide vrouwtjes.

Het vrouwtje nestelt in bestaande holten, zoals oude kevergangen, holle stengels of dakriet. ook holten die eerder als bijennest zijn gebruikt komen in aanmerking. Nesten zijn zelfs gevonden in een sleutelgat, de tuit van een theepot, een oude klok en tussen de plooien van een slaapkamergordijn in een flat op zevenhoog. Vaak nestelt een aantal vrouwtjes bij elkaar. De soort is makkelijk met kunstnesten te lokken. In kunstnesten toont een vrouwtje voorkeur voor buisjes met een diameter van 6-7 mm en 1-2 m boven de grond (Jacob-Remacle 1990, Malyshev 1937, Vicens et al. 1993). Na inspectie van de holte — ze klopt hierbij met haar antennen op de wanden terwijl ze om haar as draait — reinigt ze deze (Malyshev 1937). Endres (1998) vindt grote individuele verschillen in de duur van deze inspectiefase: 1-10 minuten, soms meerdere malen een minuut gedurende een uur, afgewisseld met bouwactiviteiten. Ze voert vervolgens een aantal oriëntatievluchten uit en gaat modder zoeken. Op lemige, vochtige plekken zijn vaak verschillende vrouwtjes aan het werk. Soms halen ze de klei uit een soort mijn (Nieuwenhuijsen 2009a, Raemakers 2000, Van der Spek 2007). De bij maakt een kleiballetje van 3 x 3 mm en een gewicht van circa 18,5 mg en vliegt terug naar haar nestholte (Maddoks & Paulus 1987, Nieuwenhuijsen 2009a). Aan het einde daarvan brengt ze een laagje klei aan. Na twee tot drie moddervluchten is de laag klaar. Het oppervlak dat naar de nestopening wijst, maakt ze glad. Na nog een moddervlucht legt ze op enige afstand van de achterwand rondom de binnenzijde van de nestholte een drempel aan, 'Fabres drempel' genoemd naar de beroemde Franse entomoloog Jean-Henri Fabre die dit verschijnsel voor het eerst beschreef (Fabre 1915). Dit is het begin van een tussenwand. Het vrouwtje maakt uitsluitend tussenschotten, de zijkanten bekleedt ze niet met leem.

Nu begint de foerageerfase, die voor een broedcel 3,5-8 uur kan duren (Maddocks & Paulus 1987). Het vrouwtje verzamelt op haar eerste vlucht uitsluitend stuifmeel, dat achterin de cel komt te liggen. Op de volgende foerageertrips verzamelt ze zowel nectar als stuifmeel. Ze gaat eerst het nest in om de nectar uit haar krop in de cel te spuwen. Daarna komt ze weer te voorschijn, draait zich om en gaat met haar achterlijf naar de cel gericht het stuifmeel uit haar buikschuier verwijderen (Bellman 2003, Endres 1998, Malyshev 1937). Eén vlucht duurt ongeveer 10 minuten en ze vervoert per vlucht 9-14 mg voedsel. Ze voert per cel circa 19 foerageervluchten uit (Maddocks & Paulus 1987, Strohm et al. 2002). Raw (1972) vermeldt per cel, bedoeld voor een vrouwtje, 22-23 pollenladingen en voor een mannetje 16-19 ladingen. Gemiddeld bevat een cel 187 mg voedsel met een verhouding pollen l nectar van 0,98 l 0,02 (Maddocks & Paulus 1987). Het vrouwtje legt een ei als de cel genoeg voedsel bevat. Als ze de laatste voedselportie in de cel heeft gebracht, maakt ze met haar achterpoten het laatste deel van haar achterlijf grondig schoon. Ze kruipt dan het nest uit, draait zich om, loopt terug en bewerkt de voedselvoorraad met kaken en tong. Vervolgens maakt ze een kleine kom in het voedsel, waarin straks het ei wordt vastgeplakt. Ze kruipt weer het nest uit, draait zich weer om en begint het ei te leggen. Dat duurt ongeveer 20 seconden. Daarna kruipt ze het nest uit om specie te gaan halen om Fabres drempel uit te bouwen tot een volledige tussenwand (Endres 1998). De duur van de 'bouwsessies' is vrij constant, namelijk steeds een uur (Maddocks & Paulus 1987). Het vrouwtje maakt gemiddeld 8 vluchten van 2-3 minuten om leemballetjes te halen (Raw 1972, Strohm et al. 2002). Bij goed weer neemt het maken van de drempel, provianderen, leggen van het ei en sluiten van de cel 1-1,5 dag in beslag (Malyshev 1937, Raw 1972). Wordt tijdens de bouwfase een tussenwand beschadigd dan repareert het vrouwtje die. Dit doet ze nogmaals als ze na haar eerste foerageervlucht nog een beschadigde wand aantreft. Is ze in haar foerageerfase, dan repareert ze geen wanden meer; soms verlaat ze dan zelfs het nest. Dat doet ze ook als een pas gelegd ei wordt verwijderd. Legt men tijdens de foerageerfase een ei uit een ander nest op de plek waar het ei lag, dan verwijdert het vrouwtje dat ei en gaat verder met foerageren (Raw 1972). Het vrouwtje maakt per nest 1-12 broedcellen, gemiddeld 5 (De Groot 1974, Jacob-Remacle 1990, Raw 1972, Vicens et al. 1993). Een vrouwelijke cel is 10-12 mm lang, een mannelijke 8-11 mm (Jacob-Remacle 1990, Vicens et al. 1993). Tussen afsluiting van de laatste cel en afsluiting van het nest laat ze een lege ruimte. Deze 'nepcel' of vestibule voorkomt waarschijnlijk dat de legboor van sluipwespen het broed bereikt. Het nest wordt afgesloten met een kleiprop van 1-3 mm dik (Vicens et al. 1993). Een vrouwtje maakt tijdens haar leven meestal vier tot vijf nesten. Vaak neemt een vrouwtje het nest van een ander vrouwtje over, tot wel 85% bij een nestaggregatie. Neemt het vrouwtje het nest over tijdens de bouwfase dan bouwt ze verder aan het nest. Neemt ze het over tijdens de foerageerfase dan foerageert ze verder. Dit verschijnsel heeft niets te maken met tekort aan nestelgelegenheid, want tijdens deze waarnemingen was er voldoende plaats (Maddocks & Paulus 1987). Polylectisch (Westrich 1989b), zowel wat betreft stuifmeel als nectar. Sommige populaties kunnen echter monolectisch zijn (Hallmen & van Leeuwen 1990). Voor de mens is O. bicornis, omdat ze in grote aantallen van nestkasten gebruik maken, mogelijk belangrijk als bestuiver van bijvoorbeeld luzerne en fruit (Tasei 1972, Van der Steen 1999, Vicens et al. 1993). Kunstnesten en cocons worden inmiddels op grote schaal commercieel verhandeld.

Als broedparasieten zijn bekend Stelis phaeoptera, de spekkever Megatoma undata en de mijten Thyrophagus spec. en Chaetodactylus osmiae (De Groot 1974, Malyshev 1937, Raw 1972, Vicens et al. 1993). Larven van laatstgenoemde mijt komen via de volwassen bij in het nest, doden de larve, eten van de voedselvoorraad en ontwikkelen zich tot volwassen mijten. Ze paren in de cel en leggen hun eieren in het stuifmeel. Hun larven eten de rest van het stuifmeel en overwinteren in de cel. In het voorjaar liften ze mee met de uitkomende bijen. Uit een geobserveerde cel kwamen 7742 mijtenlarven en op één bij zijn er 3878 geteld (De Groot 1974). De wolzwever Anthrax anthrax en de fruitvlieg Cacoxenus indagator hebben het vooral voorzien op nog open cellen. Ze leggen hun ei in de voedselvoorraad. Na sluiting van de cel doodt de vliegenlarve de bijenlarve en eet de voedselvoorraad op (Gladis 1991, Seidelmann 2006, Vicens et al. 1993). Er zijn vele soorten parasitoïden bekend (hun larven eten de gastheerlarve op). Voorbeelden zijn goudwesp Chrysis ignita (Raw 1972) en bronswespen Melittobia acasta (Vicens et al. 1993), Monodontomerus obsoletus (in 48% van de nesten volgens Vicens et al. 1993), M. dentipes en M. obscurus (Raw 1972). Laatstgenoemde soort is verantwoordelijk voor de dood van 43% van de bijenlarven. Gladis (1991) stelt voor om de soort kweken als demonstratie van een solitaire bij in dierentuinen en meldt dat de poppen als apenvoer kunnen dienen.

 

 

 

Bron

Auteur(s)

Nieuwenhuijsen, H.

Publicatie