Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote bladsnijder Megachile willughbiella

Foto: Susanne Kuijpers

Indeling

Megachilinae [subfamilie]
Megachile [genus] (18/14)

Eén generatie, in warme en lange zomers soms twee. Mannetjes verschijnen eerder dan vrouwtjes. Overwintert als prepop (Westrich 1989b). Een gemerkt mannetje patrouilleerde 14 dagen rond een aantal bloeiende klokjes in een stadstuin. Er werden geen verjagingen van andere mannetjes waargenomen. Af en toe stootte het mannetje tegen het achterlijf van een vrouwtje dat in een bloem zat, maar er werden geen copulaties waargenomen (Hans Nieuwenhuijsen, eigen waarneming). Nestelt solitair, soms communaal (Westrich 1989b). Na de paring zoekt het geïnsemineerde vrouwtje een nestplaats. Die kan zowel in de grond als in dood hout zijn (Benno 1952b), soms zelfs in de aarde van bloempotten (Baldock 2008). Meestal echter is het een boorgang (van bijvoorbeeld een kever) in dood hout. Een enkele keer knaagt het vrouwtje zelf een gang in rot hout (Bodnarchoek et al. 1988). Romankov & Romankova (1998) beschrijven een nest dat gegraven is in de laag as bij een vuur. Dit lineaire, vertakte nest lag gedeeltelijk onder een steen. De gang had een doorsnede van 9 mm. De hoofdgang vormde met het oppervlak een hoek van 25° en was 10 cm lang. Aan het einde liep de gang een paar cm door en splitste zich in drie gangetjes met aan het einde een of twee cellen. Aan het einde van de hoofdgang ging ook een gang naar boven. Deze had drie zijgangen met aan het einde ook weer een of twee cellen. De cellen waren 10 x 20 mm. Ze werden gemaakt van stevig blad van ratelpopulieren, op een afstand van 10-15 m van het nest. Bodnarchoek et al. (1988) vermelden voor Oekraïne gemiddeld 4,5 cel per nest in dood hout. Holm & Skou (1972) melden 2-6 cellen per nest en geven als grootte van de cocon 7 x 13 mm. Het vrouwtje is in de ochtend vooral met de nestbouw bezig, in de middag vindt de proviandering plaats en op het einde van de middag legt ze een ei en sluit ze de cel af. soms begint ze in de avond aan de bouw van een volgende cel (Romakov & Romakova 1998).

De nesten bevinden zich in dood hout, dikke rietstengels, aarden kanten of kunstnesten (Westrich 1989b). Het celmateriaal is afkomstig van onder andere berk, eik en roos. Polylectisch. Bloembezoek is waargenomen op composieten, heiachtigen, klokjesachtigen en vlinderbloemen (Romankov & Romankova 1998; databestand Els-Nederland). De soort is in Oekraïne een belangrijke bestuiver van commercieel verbouwde luzerne (Bodnarchoek et al. 1988).

Als broedparasieten worden genoemd Coelioxys conica (zeer waarschijnlijk), C. elongata (waarschijnlijk) en C. rufescens (Baldock 2008). Uit Japan wordt de blaaskopvlieg Physocephala obscura (niet in Nederland) als parasitoïd gemeld (Maeta et al. 1997b). Ook worden de bronswespen Monodontomerus obscurus en Pteromalus venustus (niet in Nederland) genoemd (Banaszak & Romasenko 1998).

 

Bron

Auteur(s)

Nieuwenhuijsen, H.

Publicatie