Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Schorzijdebij Colletes halophilus

Foto: Albert de Wilde

Indeling

Colletinae [subfamilie]
Colletes [genus] (9/9)
halophilus [soort]

Eén generatie. Nestelt in groepen, soms met vele duizenden exemplaren. Van Lith (1937a) gaf een zeer uitgebreide beschrijving van de nestbouw. De hoofdgang met een lengte van enkele decimeters liep schuin naar beneden tot ongeveer 10 cm diepte. Daar lagen groepjes van 8-10 broedcellen op gelijke diepte en in twee onregelmatige rijtjes op ongeveer 1,5-2 cm van elkaar. Waarschijnlijk had de bij vanuit de hoofdgang in twee richtingen schuin naar beneden gegraven. De zijgangen waren steeds volgestopt met zand en klei (zie tekening in Van Lith 1937a: 307). Volgens Edwards (1997) is de nestbouw gelijk aan die van Colletes succinctus: een cluster van 5-6 broedcellen, die radieert vanaf het eind van een korte, gedraaide gang. De broed- cellen worden een voor een vanuit een centrale gang in een trosvormige cluster gebouwd (Sommeijer 2009, Sommeijer et al. 2012); de meeste cellen bevonden zich op een diepte van 20-30 cm onder de grond. De broedcellen waren volgens Van Lith (1937a) over een afstand van 15-17 mm lengte en een doorsnede van 6-8 mm bekleed met een dun, zijdeachtig glanzend en doorschijnend vliesje. De broedcel was afgesloten door eenzelfde vlies in verschillende laagjes boven elkaar met kleine onderlinge tussenruimten en een totale dikte van ongeveer 2 cm. Tussen broedcellen van mannetjes en vrouwtjes bestaan vrij duidelijke verschillen in hoogte, diameter en gewicht (Rooijakkers & Sommeijer 2009) .

Het ei is met het achtereind aan de broedcelwand vastgehecht op een afstand van circa 1 mm van de voedselvoorraad, bestaande uit stuifmeel en nectar. Het ei, dat in horizontale stand boven de voedselbrij hangt, komt na enkele dagen tot een week uit. De jonge larve blijft nog enkele dagen met het achterlijf aan de celwand vastzitten en hangt met de kop schuin naar beneden in de voedselbrij. Daarna laat de larve los en drijft in gekromde houding bovenop het voedsel. Overwintering van de halfvolgroeide larven vindt plaats toen ze ongeveer 4 mm lang en iets meer dan 1 mm dik waren. Na de winter eten de larven verder en ze verpoppen voordat de volwassen dieren begin augustus weer verschijnen. De bijna volwassen larven smeren de broedcel- wand dicht met de laatste resten van het voedsel, zodat deze bijna ondoorzichtig wordt (Van Lith 1937a, Sommeijer 2009, Sommeijer et al. 2012).

Oligolectisch, gespecialiseerd op composieten, subfamilies Asteroideae en Cichorioideae (Müller & Kuhlmann 2008). In ons land zijn vrouwtjes vooral aangetroffen op zulte (Sommeijer et al. 2009), meermaals op akkermelkdistel (Lefeber 1974a, Raemakers 2000) en incidenteel op peen (Lefeber 1974a) en diverse planten uit andere families, waarop waarschijnlijk alleen of met name nectar wordt verzameld (Calle & Jacobusse 2008). Ook uit analyse van stuifmeel dat vrouwtjes bij zich dragen blijkt dat zulte in Nederland de belangrijkste plant voor deze bij is. Daarnaast is vooral stuifmeel aangetroffen van akkermelkdistel en van andere composieten zoals heelblaadjes, jacobskruiskruid en diverse planten uit andere families, zoals kruisbloemen en watermunt (neve 2003, petit 1975a, sommeijer et al. 2009, westrich 1989b; Kees de Kraker pers. med.). Het menu van zowel de volwassen dieren als de larven varieert zowel in ruimte en tijd als per individu en populatie. Ook elders in Europa is bezoek aan uiteenlopende planten bekend (Haeseler 1978, Manning 1955, Petit 1975a, Richards 1937). Mogelijk worden bijen die als larve stuifmeel van akkermelkdistel krijgen groter dan bijen die als larve stuifmeel van zulte krijgen (Raemakers 2000). Mannetjes slapen soms in groepen ter grootte van een dozijn op grashalmen (Edwards 1997).

De koekoeksbij in het zuidwesten van Nederland is Epeolus tarsalis. Guichard (1974) trof in Engeland Epeolus variegatus en de dambordvlieg Miltogramma punctata bij de nesten. Ook in Zeeland wordt Epeolus variegatus sinds 2005 steeds vaker in nestgroepen van Colletes halophilus waargenomen (Calle & Jacobusse 2008).

 

Bron

Auteur(s)

Peeters, Th.M.J.

Publicatie